intro
fragment
recensies |
APULEIUS
De Gouden Ezel (Metamorfosen)
vertaald en
toegelicht door Vincent Hunink
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2003

258 blz. EUR 19,50 (pb)
(ISBN 90 253 0188 6)
/ EUR 32,50 (geb) (ISBN 90 253 0187 8).
Een integrale, nieuwe
vertaling van Apuleius' meesterwerk
de roman Metamorfosen (de Gouden Ezel).
De boekwinkel ligt vol met moderne romans, maar het genre 'roman' is
eigenlijk heel oud. Er zijn al enkele romans uit de klassieke oudheid bewaard. De
beroemdste daarvan is ongetwijfeld De Gouden Ezel door de virtuoze
Romeinse Africaan Apuleius van Madauros (2e eeuw na Chr.). Van dit meeslepende
boek is nu een geheel nieuwe vertaling verschenen.
Het verhaal draait om een zekere Lucius, die grotendeels door eigen schuld in
een ezel verandert en in die nederige ezelgedaante allerlei avonturen meemaakt.
Hij komt in handen van rovers, arme sloebers en soldaten en eindigt als
attractie in het theater, waar hij in het openbaar de liefde moet gaan bedrijven
met een misdadigster... Pas aan het slot, na vele verhalen en binnenverhalen,
zoals het geliefde sprookje van Amor en Psyche, daagt er redding voor Lucius.
Dankzij de godin Isis wordt hij weer mens en tenslotte treedt hij in haar dienst
als priester.
De roman laat zich lezen als een spannend verhaal, maar ook als een ingenieus
kunstwerk vol grappige en knappe toespelingen op de Griekse en Romeinse
literatuur en filosofie. Achter de oppervlakte van het verhaal gaan steeds
suggesties van grote diepte schuil, die elke lezer weer anders zal interpreteren
het boek is eigenlijk een post-moderne roman avant-la-lettre. In elk geval valt
Apuleius op door zijn markante, exotische stijl, waarin taal van de straat
onbekommerd samengaat met verheven woorden, ambtenarentaal en lyrische formules,
en waarin alles gedragen wordt door een superieure ironie. Niet voor niets geldt
Apuleius als een voorloper van Cervantes.
Waarom een nieuwe vertaling? De bestaande en tot voor kort vaak herdrukte
vertaling van M.A. Schwartz (1970) schiet vooral stilistisch tekort en is te
terughoudend bij erotische taferelen. En de meer recente vertaling door Stefan
van den Broeck (1988) is te slordig, doet ook geen recht aan de stijl en
maakt van de erotische scenes juist overdreven, platte sekstaferelen. Alle reden
dus om Apuleius' meesterwerk opnieuw te vertalen.
De Gouden Ezel is verkrijgbaar in twee edities:
als fraai, gebonden boek
in de bekende Baskerville serie, en als vrolijk gekleurde paperback. Beide
uitgaven zijn in de betere boekwinkel voorradig en via elke boekhandel
leverbaar.
Liefhebbers van Apuleius' werk kunnen
op deze site nog meer Apuleius vinden. Zo heb ik onder meer mijn vertaling van
diens Apologie, Toverkunsten (1992) en Pronkpassages / Demonen
(Florida en De Deo Socratis) (1994) ONLINE beschikbaar gemaakt. Volg
deze link voor de integrale tekst van Toverkunsten en deze
link voor de integrale tekst van Pronkpassages/Demonen.

Fragment (8,24-31)
Op die manier veroorzaakte de veilingmeester lachsalvo's onder de omstanders.
Maar die allerwreedste Fortuna van mij, die ik door streek na streek vluchtend
niet had kunnen ontvluchten, noch door mijn voorgaande leed had kunnen
verzoenen, richtte weer eens een blinde blik op mij. Zij wist een koper voor mij
op te scharrelen die wonderwel paste bij mijn harde lotgevallen.
Laat
mij u vertellen wat voor man het was. Een nicht was het, een oude nicht, met een
kale kop nog wel, waaraan enkel wat gepermanente, halfgrijze lokjes bungelden.
Het was er zo een van de heffe des volks, die langs de straten, door de steden
gaat, met cimbalen en ratels kabaal maakt, en de Syrische godin
rondzeult en uit bedelen stuurt. In zijn hevige drang mij aan te schaffen, vroeg
hij de veilingmeester waar ik vandaan kwam. Die verklaarde dat ik een echte
Cappadociër was, een behoorlijk sterk beestje. Daarop vroeg de man weer hoeveel
jaar ik was.
'Tja,'
begon de ander ginnegappend, 'een helderziende die zijn horoscoop heeft
getrokken heeft berekend dat dit zijn vijfde jaar is, maar hij zal het zelf wel
beter weten. Kijk zijn aangifteformulier maar na! Nee goed, ík mag hier dan
willens en wetens het risico van een aanklacht op grond van de wet van Cornelius
lopen, wanneer ik een Romeins burger als slaaf aan u overdoe. Maar dat hoeft ú
niet te beletten een beste, brave dienaar te kopen die u binnen en buitenshuis
van dienst kan zijn!'
Die
verfoeilijke koper hield maar niet op met vragen stellen, de ene vraag na de
andere, en tenslotte informeerde hij zelfs bezorgd of ik wel mak was.
'U ziet een lammetje,' sprak de veilingmeester, 'geen ezel. Waar u hem ook voor
inzet, hij blijft kalm. Bijt niet, trapt ook niet, je zou warempel denken dat er
in die ezelhuid een rustig mens schuilgaat. Dat is ook niet zo moeilijk vast te
stellen: schuif uw gezicht maar tussen zijn dijen, dan kunt u gemakkelijk
beproeven hoezeer hij voor u openstaat...'
Zo
diende de veilingmeester de oude snoeper snedig van repliek. Maar die kreeg de
grappen door en speelde heilige verontwaardiging. 'Ach doofstomme dooie!' riep
hij uit. 'Idiote verkoper! De almachtige al-moeder de godin van Syrië, en de
heilige Sabadius en Bellona en de Ida-moeder met haar Attis en meesteres Venus
met haar Adonis mogen jou met blindheid slaan! De hele tijd al ben ik mikpunt
van je misselijke grappen. Denk jij nu werkelijk, stommeling die je bent, dat ik
de godin kan overlaten aan zo'n wild lastdier? Die stoot dat godenbeeld gewoon
in een keer van zijn rug. En welk meisje mag er dan van hot naar haar gaan
rennen? Ik arme! Met de haren los kan ik dan op zoek naar een dokter voor mijn
godin op de grond!'
Zodra
ik dit hoorde, vatte ik het plan op om plotsklaps als een bezetene heen en weer
te springen, zodat hij bij het zien van mijn ongecontroleerde woestheid zou
afzien van de koop. Maar de gretige koper was mijn goede gedachte voor en telde
terstond een som gelds uit waar mijn eigenaar, die inmiddels schoon genoeg van
mij had, al heel content mee was: zeventien denariën.
Dadelijk bond hij mij een touw om de bek en droeg mij over aan Boylover -- dat
was de naam waarmee mijn nieuwe meester door het leven ging.
Die trok zijn pas verworven jongste knechtje mee naar huis en begon al meteen
bij de drempel te roepen. 'Meisjes!' kirde hij, 'kijk eens hier wat een leuk
slaafje ik voor jullie heb gekocht!'
De
'meisjes' bleken een nest nichten, die meteen dolblij opsprongen en met hun
gebroken, hese, verwijfde stemmen schelle kreetjes slaakten. Zij dachten
natuurlijk dat er werkelijk een jonge mannelijke slaaf klaarstond om hun te
dienen. Maar toen zij geen hert zagen in plaats van een maagd,
maar een ezel in plaats van een mens, haalden zij hun neus op en maakten
plagerige grappen tegen hun leider: dat was geen slaaf voor hen wat hij daar
meebracht, o nee, maar een echte man voor zichzelf! 'Nou zeg, wat een lekker
kippetje, je houdt hem toch niet helemaal zelf? Geef ook je eigen lieve duifjes
af en toe een stuk!'
Met
dit soort babbelpraatjes bonden zij mij vast vlakbij de ruif. Er was daar in
huis een nogal fors gebouwde jongeman, een heel verdienstelijk fluitspeler, die
met gezamenlijke middelen op de slavenmarkt was aangekocht. Onderweg, als zij de
godin voortdroegen, liep hij mee terwijl hij zijn instrument bespeelde, maar
thuis had hij de functie van bedgenoot voor algemeen gebruik en werd hij eerlijk
gedeeld. Zodra de jongen mij in het oog kreeg voorzag hij mij verheugd en met
gulle hand van voer.
'Eindelijk!'
riep hij 'Daar is dan iemand die mij kan aflossen bij dat ellendige karwei. Zorg
dat je nog lang leeft en de meesters behaagt, en gedenk toch mijn afgeragde
apparaat!'
Bij
die woorden zag ik al voor mij wat voor narigheid mij nog te wachten stond.
De volgende dag dosten zij zich uit met veelkleurige gewaden, tutten zich heel
lelijk op (kleiige make-up op het gezicht, strakke lijntjes rond de ogen) en zo
kwamen zij naar buiten, met hoedjes en gele mantels, in linnen en zijde.
Sommigen droegen blanke tunieken met uitwaaierende, speervormige
purperpatroontjes, hoog omgord met een ceintuur, de voeten in goudgele
schoentjes gestoken. De godin werd in een zijden kleed gehuld en ter vervoer bij
mij op de rug gezet. Met de armen tot aan de schouder ontbloot en zwaaiend met
enorme zwaarden en bijlen sprongen zij rond en lieten hun bezeten kreten los, in
hun uitzinnig gedans nog verder opgezweept door het fluitgeluid.
Bij
heel wat huisjes gingen zij langs, om tenslotte uit te komen op het landgoed van
een rijk grootgrondbezitter. Meteen al bij de ingang maakten zij met hun valse
gegil kabaal en stormden als in een roes naar voren. Een tijdlang hielden zij
het hoofd gebogen en draaiden soepeltjes hun nek, waardoor de haren los in de
rondte draaiden, soms zetten zij de tanden in eigen vlees, en tenslotte namen
zij hun tweesnijdend zwaard en ritsten zich de armen open. Intussen ging een van
hen nog meer als een Bacchante tekeer: hevig en herhaaldelijk steunend en
kreunend, vervuld als door de bovenmenselijke adem van een godheid, veinsde hij
een aanval van waanzin, alsof de presentie van een god de mensen niet zozeer
beter maakt, als wel zwakker en ziekelijker.
(#28)
En kijk nu eens wat de hemelse voorzienigheid hem voor beloning bezorgde.
Luidruchtig profeterend begon hij zichzelf met valse leugens aan te klagen en te
beschuldigen: hij had gezondigd tegen de geboden van de heilige godsdienst, hij
mocht zijn gerechte straf niet ontlopen, ja, zijn eigen handen moesten die
voltrekken! Daarop greep hij zijn zweep, het vaste attribuut van die halve
mannen, een ding dat rijkelijk was versierd met kwastjes van wollig vel en
waarin een hele serie schapenkoten zat verwerkt. Middels alle knopen die erin
zaten tuigde hij zichzelve duchtig af: door zijn stug volgehouden waan was hij
wonderwel bestand tegen de pijn van de slagen. Nu de zwaarden erop los hieuwen
en de zwepen toesloegen, kon je het gore, verwijfde bloed de bodem in zien
trekken.
De
zaak vervulde mij met niet geringe zorg. Ik zag wel hoe het bloed uit al die
wonden overvloedig stroomde en ik begon te vrezen voor de smaak van die
buitenlandse godin: zoals bepaalde mensen houden van ezelmelk wilde zij
misschien wel ezelbloed!
Maar
tenslotte waren zij afgepeigerd of hadden zij minstens genoeg van hun
zelfverminking, en maakten een eind aan de slachtpartij. Daarop kwam men massaal
en als om strijd kopergeld aanbieden, jawel, en zilveren munten, en zij namen
alles aan, zij hielden er de plooien van hun kleed voor open. Ook met een vat
wijn kwamen de mensen aanzetten, en met melk en kaas en wat spelt en lichte
tarwe, en sommigen brachten zelfs wat gerst voor de drager van de godin. Gretig
streken zij alles op en propten het in speciaal daartoe geprepareerde zakken,
waarna het op mijn rug belandde. Bijgevolg ging ik inmiddels onder een dubbele
last gebukt: ik was nu wandelende voorraadschuur en tempel tegelijk.
Op die manier trokken zij rond en schuimden heel de streek af. Ergens in een
dorpje, waar de opbrengst verheugend groot was geweest, richtten zij een
feestelijk maal aan. Met een valse profetie belogen zij een boer en vorderden
zijn vetste ram: de Syrische godin had honger, heette het, en dit offerdier zou
haar tevreden stellen.
Zodra
het banketje naar behoren was voorbereid begaven zij zich badwaarts en toen zij
schoongewassen terugkwamen brachten zij nog een disgenoot mee, een ferme
boerenzoon met bonkige heupen en een fors geschapen deel. Na enkel wat lichte,
vegetarische voorafjes brak er in die vieze schandelijke zwijnen een ongehoorde
drang los zich te verlagen tot de meest liederlijke, zedeloze praktijken: zij
schaarden zich rondom de jongeman, die zij ontkleedden en op zijn rug legden, en
gingen hem hem bewerken met hun walgelijke monden. Mijn ogen konden dat soort
smeerlapperij niet lang verdragen. 'O, burgers, boeren, buitenlui!' wilde ik
uitroepen, maar de lettergrepen en de letters vielen weg en het enige dat over
mijn lippen kwam was: 'O!'. Het was een helder, krachtig en uiterst ezelachtig
geluid, dát zonder meer, maar de timing was nu niet bepaald gelukkig.
Er
was namelijk juist een aantal jongens uit een naburig dorp naar een ezel aan het
zoeken die 's nachts bij hen was weggehaald. IJverig gingen zij alle woningen
langs en bij het horen van mijn gebalk binnenshuis dachten zij dat de buit
ergens achteraf in huis verborgen stond. Teneinde persoonlijk op hun eigendom
beslag te leggen, drongen zij onverwacht en spoorslags binnen en troffen daar
die lieden aan, middenin hun walgelijke vunzigheden. Direct haalden zij alle
buren erbij om het schandelijke tafereel te aanschouwen en daarbij
complimenteerden zij de priesters lacherig met hun geweldige reinheid en
kuisheid.
Uit het lood geslagen door dit schandaal, dat onder de bevolking snel van mond
tot mond ging en volkomen terecht bij allen haat en afschuw jegens hen opriep,
pakten zij al hun spullen bijeen en trokken rond middernacht stilletjes het dorp
uit.
Voor
dageraad zat een groot deel van de dagreis er al op, en zodra het volop dag was
waren zij in afgelegen, ontoegankelijk gebied beland. Na een lange discussie
maakte men aanstalten om mij ter dood te brengen. Als transporteur van de godin
werd ik afgezet, haar beeld kreeg een plaats op de grond. Van alle tuigage
ontdaan werd ik ergens aan een eik gebonden, alwaar ik er enorm van langs kreeg
met die zweep vol schapenbotjes -- ik liet er nagenoeg geheel het leven bij. Er
was er een die dreigde met zijn bijl mijn knieën door te hakken, zeker omdat ik
over zijn lelieblanke eerbaarheid zo lelijk had gezegevierd... Maar de rest was
van mening dat men mij in leven moest laten, niet met het oog op mijn welzijn
maar vanwege het beeld dat daar lag, en zo werd ik dan opnieuw met bagage
bepakt. Met het vlakke zwaard bleven zij mij bedreigen, tot bij aankomst in een
vermaarde stad.
Daar
woonde een vooraanstaand man, die toch al godsdienstige neigingen en grote
eerbied voor goden had, en die nu werd aangelokt door het getinkel van de
cimbalen, het gerinkel van de tamboerijnen en de zoetgevooisde melodieën van de
Frygische muziek, en ons tegemoet kwam rennen. Lang had hij gebeden om de komst
van de godin en hij heette haar hartelijk welkom. Wij werden allemaal binnen de
muren van zijn zeer ruime woning ondergebracht, waar hij zich met grote devotie
en rijkelijke offers haastte de godheid gunstig te stemmen.
Uitgerekend hier, herinner ik mij, geraakte ik in levensgevaar. Een boer had
namelijk een deel van zijn vangst bij het jagen, een vette lende van een
gigantisch hert, aan zijn heer ten geschenke gezonden. Het was achteloos en niet
al te hoog achter de keukendeur opgehangen, waar een hond (al evengoed een
jager) er heimelijk op was aangevallen en blij met zijn buit schielijk aan
wakende ogen was ontsnapt. Zodra de kok het verlies zag, verwenste hij zijn
onzorgvuldigheid en brak uit in langdurige jammerklachten met nutteloze tranen.
En toen zijn meester om het avondmaal liet vragen, was de man zwaar aangeslagen
en wist zich absoluut geen raad. Hij zei zijn kleine zoontje vaarwel, greep een
touw en knoopte een strik om zich zo het leven te benemen.
Maar
zijn trouwe echtgenote bemerkte de hopeloze toestand van haar gade en wierp zich
krachtig en met beide handen op de fatale strop. 'Ben jij nu zo bang bij dit
ongeluk,' vroeg zij, 'dat jij je verstand verliest? Zie jij dan niet de
toevallige remedie die zich hier dankzij de voorzienigheid der goden aandient?
Als je in deze uiterste nood ook maar een beetje tot jezelf komt, knoop dan goed
in je oren wat ik je zeg. Neem die vreemde ezel hier mee, leid hem naar een
afgelegen plekje, snij hem de keel door en houw zijn dijbeen zowat in dezelfde
vorm als het verloren stuk. Zorgvuldig in een marinade leggen en lekker gaar
laten sudderen. Zo opdienen aan de meester in plaats van het hertenvlees.'
Het
leek die waardeloze klaploper een goed idee: zelf blijven leven door mijn dood.
Onder uitvoerige lofprijzingen voor de schranderheid van zijn collega-slaaf
begon hij de messen al te wetten voor de voorgenomen slachtpartij.
Ga
naar intro, fragment, recensies of links

(WAT IS DIT NU WEER? KLIK OP
HET PLAATJE!)
Recensies
‘Erotiek
met fatale afloop’
door P i e t G e r b r a n d y
in:
De Groene Amsterdammer, 10 januari 2004, p. 51
Het
is hollen or stilstaan met die Romeinen. Livius, Vergilius en Seneca lijden aan
zo'n overmaat van ernst dat je er na tien bladzijden lacherig van wordt, terwijl
de permanente grappigheid van Ovidius en Martialis al na enkele minuten tot
oververzadiging leidt. Ongrijpbare fenomenen als Catullus en Propertius zijn
onmatig in hun voorgewende hartstochten, Tacitus is zo cynisch dat de lezer wel
een hekel aan de mensheid moet krijgen en het schelden van Juvenalis lijkt te
heftig om geloofwaardig te zijn. Naar subtiliteit kun je lang zoeken in de
Latijnse literatuur.
Ook
de uit Madauros in NoordAfrika afkomstige Apuleius (tweede eeuw na Christus)
moet het niet van het kleine gebaar hebben. Zijn roman Metamorfosen, beter bekend onder de titel De gouden ezel, is één aaneenschakeling van vooral erotische
avonturen met doorgaans fatale afloop. De hoofdpersoon Lucius is een Corinthiër
die in het Noord-Griekse Thessalië, dat om zijn tovenarij bekendstond, per
abuis in een ezel wordt veranderd. In die hoedanigheid ondergaat hij diepe
vernederingen, maar is hij ook getuige van buitengewoon amusante gebeurtenissen
en verneemt hij het ene sterke verhaal na het andere. Zo hoort hij in een
rovershol het sprookje van Psyche en Cupido, dat het centrum van de roman vormt.
Nadat hij door de omvang van zijn geslacht de wellust van een rijke vrouw heeft
opgewekt en, na haar diep bevredigd te hebben achtergelaten, de opdracht krijgt
in het theater een moordenares te bestijgen, weet Lucius te ontsnappen. In een
droom verschijnt hem de godin Isis, die hem vertelt hoe hij weer mens kan
worden. Na zijn tweede metamorfose treedt hij in dienst van de godin.
Hoewel
het verhaal geen serieuze indruk wekt, zijn er toch aanwijzingen dat Apuleius er
op zijn minst de suggestie van een religieus-filosofische laag in heeft
aangebracht. De auteur, die goed thuis was in de filosofie van zijn tijd en zelf
banden had met de Isisdienst, verwijst op tal van plaatsen naar Plato. Zelfs
het verhaal van Psyche zou allegorisch gelezen kunnen worden als een aansporing
door middel van Eros de Hogere Regionen te bereiken. Aan de ene kant staan
geleerden die menen dat Apuleius de filosofie en religie heeft willen bespotten
door ze in een scabreuze context te zetten, aan de andere kant wordt beweerd dat
de ernstige lading zo juist extra reliëf krijgt. Hoe het ook zij, de roman zit
geraffineerd in elkaar. Er zijn allerlei scènes die elkaar op gewiekste wijze
spiegelen en er is geen naam zonder dubbele betekenis. Het meest verbluffende is
wel dat Apuleius quasi-achteloos naar zijn eigen biografie verwijst, door aan
het slot te zeggen dat Lucius uit Madauros kwam, wat in tegenspraak is met
eerdere beweringen.
Wat
de lezer echter het eerst opvalt, is Apuleius' gemaniëreerde, zelfs decadente
stijl. Hij doet zijn best alles zo abnormaal mogelijk te formuleren: een gelikte
woordkeus, een op de zenuwen werkende voorkeur voor verkleinwoordjes en
pleonasmen, overdadige beeldspraak, parallelle zinsconstructies, een rare
woordvolgorde. Het werk was al eerder in het Nederlands vertaald, maar nog
nooit zo radicaal als door Vincent Hunink. Iedere keer als je denkt dat hij in
zijn vertaling te ver gaat, blijkt bij vergelijking met het Latijn dat de
vreemdheid niet aan Hunink maar aan Apuleius ligt. Na een hete nacht zegt de
verteller: «Van het origineel van die nacht maakten wij nog aardig wat kopieën.»
Hier breekt de ochtend aan: «Pas het gekraai van het kamdragende cohort
doorbrak het nachtelijk staakt-het-vuren.» En dit is de slapende Cupido: «Op
de schouders van de gevleugelde god blonken blanke dauwfrisse veertjes, en
hoewel zijn vleugels stillagen, waren op de punten wat kleine, fijne pluimpjes
zwierig wuivend rusteloos aan het wapperen.» Mijn enige bezwaar is dat Hunink
de Griekse namen heeft vertaald, zodat Photis Loesje wordt en Philebos
Vanachteren.
Waarom dan niet ook Lichtmis in plaats van Lucius? Maar verder: chapeau!
‘Ezel zoekt verlossing’
Levendig boek van Apuleius levendig vertaald
door P a u l C l a e s
in: De Standaard, Standaard der Letteren, 22 januari 2004
Een man verandert in een ezel en beleeft troebele avonturen. Pas op het dieptepunt van zijn leed reikt de godin Isis hem een helpende hand. Een inwijdingsroman of een satire? Metamorfosen verschaft, vele eeuwen nadat Apuleius het schreef, nog altijd ruimschoots leesplezier.
'Lezer, let op, u zult er plezier aan beleven''. Zo kondigt Apuleius van Madaura in een proloog zijn Metamorfosen aan. Voor één keer is dat geen loze reclamekreet. Samen met Petronius' Satyricon is zijn roman het enige prozawerk uit de Romeinse Oudheid dat zelfs nu nog een ruim lezerspubliek kan boeien en vermaken.
Zoals vele vertalers voor hem kiest Vincent Hunink als hoofdtitel voor De gouden ezel . Dat vermijdt verwarring met de Metamorphoses (,,Gedaanteverwisselingen'') van Ovidius, het mythologische dichtwerk dat verder niets gemeen heeft met de roman. De titel Asinus aureus is het eerst bij Augustinus te lezen. De gulden ezel zou een betere weergave zijn dan De gouden ezel , want het epitheton ,,aureus'' slaat op de voortreffelijkheid van het werk.
Het kan verwonderlijk lijken dat de strenge kerkvader Augustinus dit frivole boek zo waardeerde. Mogelijk herkende hij in deze woeste liefdesavonturen met hun vrome afloop iets van zijn eigen leven. Volgens sommigen hebben de Metamorphoses als autobiografisch bekeringsverhaal zelfs model gestaan voor zijn Confessiones (,,Belijdenissen'').
De held van de roman heet Lucius (mogelijk een zinspeling op het Latijnse lux , ,,licht''). In Thessalië, het land van de heksen, logeert hij bij een echtpaar waarvan de vrouw zich met toverzalf in een nachtuil kan veranderen. De al te nieuwsgierige Lucius wil dat ook wel eens proberen. Dankzij een gewillig dienstmeisje bemachtigt hij een potje zalf, dat hem per ongeluk in een ezel metamorfoseert.
In zijn ezelsgedaante komt Lucius achtereenvolgens in dienst van een groep rovers, een molenaar en een broederschap van ontmande priesters. Hij belandt van de ene beproeving in de andere en ontsnapt slechts op het nippertje aan de dood. Hoewel zijn dierlijke potentie tal van dames verrukt, probeert hij toch zijn menselijke gedaante terug te winnen. Dat gebeurt pas als de godin Isis hem de rozenkrans van haar hogepriester op laat vreten. Uit dankbaarheid laat de als mens herboren Lucius zich wijden tot Isispriester.
Er zitten zeker autobiografische trekjes in deze roman. Net als Lucius was Apuleius gefascineerd door magie. Toen hij in Tripoli met een twintig jaar oudere weduwe trouwde, beschuldigde haar familie hem ervan dat hij haar met zijn toverkunsten had behekst. Net als zijn held liet de schrijver zich in de mysteriën van Isis inwijden en werd hij uiteindelijk priester.
Apuleius heeft waarschijnlijk een Grieks voorbeeld voor zijn roman gehad, maar hij heeft de materie een eigen filosofische betekenis gegeven. De sterveling moet zich aan de stof ontworstelen om tot zijn geestelijke bestemming te komen. Geen beter symbool voor die stoffelijke gedaante dan Broeder Ezel, dat domme dier dat met zijn wellustige lichaam sjouwt.
De filosofische achtergrond van Apuleius blijkt uit het sprookje van Amor en Psyche, dat als een soort spiegelverhaal in het midden van de roman staat. Als prinses Psyche (Ziel) na tal van lotgevallen haar beminde Amor (Liefde) terugvindt, herinnert dat aan Plato, die in de hemelse Eros de bestemming van de Ziel ziet.
R. Merkelbach benadrukt in zijn Roman und Mysterium in der Antike (1962) de allegorische betekenis van de Metamorphoses . Voor hem is het werk in de eerste plaats een inwijdingsroman. Tegenover hem staat J.J. Winkler, die in zijn briljante, maar te spitsvondige Auctor and actor (1985) het sérieux van de schrijver in twijfel trekt. Apuleius zou met nietsontziende ironie de stichtelijke moraal van zijn verhaal toch weer ondergraven. Dat maakt hem een postmodernist avant la lettre .
Misschien denken wij vanuit onze joods-christelijke traditie te gemakkelijk dat religie, seks en het komische onverenigbaar zijn. De antieke mens kende de strikte scheiding tussen die drie grenservaringen niet. Het beste bewijs daarvoor is dat grappige genres als satire en komedie uit orgastische vruchtbaarheidsriten zijn ontstaan. Het zou de moeite lonen om de antieke roman vanuit die optiek opnieuw te bekijken.
De baldadige stijl van Apuleius draagt sterk bij tot het leesplezier. Zoals sommige allochtonen van vandaag goochelt ook deze Noord-Afrikaan met poëtismen, neologismen, archaïsmen, barbarismen en andere maniërismen. Zijn uitbundige kunstproza kent geen klassieke maat en beperking. Dat maakt elke vertaling in het veel nuchterder Nederlands een hachelijke opdracht.
Een ambitieuze poging om Apuleius' bloemrijke taal na te bootsen is die van de Tachtiger Hein Boeken (1901). Zijn fiorituren herinneren nog het meest aan de fin-de-sièclestijl van Louis Couperus, die zelf Apuleius in zijn roman De verliefde ezel (1918) bewerkte. Latere vertalers (vooral de episode met Amor en Psyche is erg populair) wijken min of meer van de originele stijl af om zich op het verhaal te concentreren. Het verst ging Stefan van den Broeck (1989), die in zijn nawoord schrijft: ,,De poëzie van het origineel is grotendeels verloren gegaan; waar Apuleius zijn inhoud opoffert aan zijn poëtische dictie, heb ik ingegrepen.''
Vincent Hunink, op dit ogenblik de productiefste vertaler van Latijnse literatuur, bewandelt een andere weg. Hij probeert een hedendaags equivalent voor de poëtische zegging van Apuleius te vinden. Door zich niet aan de letter van de tekst vast te klampen, slaagt hij erin de geest van het geheel te handhaven. Hij moderniseert zonder te banaliseren en actualiseert zonder te simplificeren. Alleen zijn vervanging van antieke door Nederlandse namen, zoals Bloedje, Meester Vermaard, Edelgast en Stavast, klinkt nogal melig. Overigens is deze vindingrijke versie veruit de overtuigendste die er tot nu toe is gemaakt. Na deze metamorfose kan de Gulden Ezel weer een nieuwe generatie lezers plezier laten beleven.
©Copyright De Standaard
uit:
'De onverbiddelijke 5 Romeinse meesters
in satire'
(Ovidius, Horatius, Martialis, Juvenalis, Apuleius)
door A
n n e m i e S m e k e n s
in: De Tijd (...)
Het
meest amusante werk van dit lijstje is een spetterende schelmenroman uit de
tweede eeuw. In een wervelende avonturenreeks wordt de Griekse jongeling Lucius,
slachtoffer van zijn zwakheden: nieuwsgierigheid, geilheid en eigenbelang. Zijn
mateloze 'curiositas' leidt ertoe dat hij in een ezel verandert en in die
gedaante zwaar afgestraft wordt. Toch wordt zijn drang naar wonderlijke verhalen
ook dan nog verzadigd. Zowat alle personages die hij op zijn weg ontmoet komen
met fantasierijke en dikwijIs pikante vertellingen voor de dag. Verhalen die in
de Middeleeuwen verderleefden in Boccaccio's 'Decamerone' en ook aan het werk
van Chaucer herinneren. Het bekendste, want waarschijnlijk charmantste 'verhaal
in het verhaal', is dat van Amor en Psychè. Psychès onstilbare
nieuwsgierigheid naar de identiteit van haar anonieme minnaar, Amor,
weerspiegelt de nieuwsgierigheid van Lucius. Een nawoord ontrafelt de
gelaagdheid in ApuIeius' 'Metamorphoses'. Beknopt en helder wordt uit de docken
gedaan welke rol in deze roman Apuleius' platonisme en ook zijn priesterschap in
de cultus van Isis spelen. Vincent Hunink vertaalde Apuleius met verve.
Nederlandse
bibliotheek dienst
(Titelinformatie,
door redactie)
IN
DE KLASSIEKE OUDHEID WAS DE ROMAN, ZOALS WIJ DIE NU KENNEN, NIET STERK
VERTEGENWOORDIGD. AAN DE LATIJNSE KANT ZIJN ER MAAR TWEE OVERGELEVERD: DE
FRAGMENTARISCHE 'SATYRIKA' VAN PETRONIUS UIT DE EERSTE EEUW NA CHR. EN 'DE
GOUDEN EZEL' VAN DE AFRIKAAN APULEIUS UIT DE EEUW DAAROP. DE ROMAN IN KWESTIE
GAAT OVER EEN GRIEKSE JONGEMAN DIE IN EEN EZEL VERANDERT, MAAR DOOR DE GENADE
VAN DE GODIN ISIS ZIJN MENSENGESTALTE HERWINT. ALS EZEL BELEEFT HIJ DE VREEMDSTE
AVONTUREN DIE (LATER) MET SMAAK WORDEN OPGEDIST
EN
VOOR ZIJN EZELWORDING MANIFESTEERT LUCIUS - DE HOOFDPERSOON - ZICH VOORAL ALS
MINNAAR. VANWEGE DE GEPEPERDE
TAFERELEN WORDT DE ROMAN OOK WEL ALS PORNOGRAFISCH BESCHOUWD, MAAR DAN MISKENT
MEN TOCH HET DICHTERLIJKE SLOT WAARIN LUCIUS ISIS‑ADEPT EN UITEINDELIJK
PRIESTER WORDT. DE NIEUWE VERTALING VAN VINCENT HUNINK BIEDT EEN VOORTREFFELIJkE
WEERGAVE VAN HET PUNTIGE, VAAK IRONISCHE, MAAR ALTIJD MUZIKALE LATIJN. BEVAT
NOTEN EN EEN INSTRUCTIEF NAWOORD. KLEINE DRUK. PAPERBACKEDITIE. ZIE VOOR GEB.
ED. A.I. 2004‑07‑ 001, EERDER VERSCHEEN EEN BETROUWBARE MAAR WAT
STIJVE EN EEN VLOT LEESBARE VERTALING VAN RESP. SCHWARTZ EN VAN VAN DEN BROECK.
Over heksen, schurken en
een tijdelijke ezel
door A. J. K l e y w e g
t
in:
Amphora, mededelingen van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium, 23,3
(april 2004), p. 14-15
WAAROM MOET EEN VERTALING (uit het Latijn) niet
beoordeeld worden door een lekenlezer maar door een latinist? Omdat deze in
staat is niet alleen de leesbaarheid van het resultaat, maar ook de getrouwheid
van de weergave te beoordelen. Het valt overigens niet altijd mee, deze beide
aspecten gelijkelijk in de beoordeling te betrekken. Neem nu Vincent Huninks
Apuleiusvertaling (deze zin mag op twee manieren gelezen worden). Het betreft
hier het meest bekende boek van de auteur en is, in tegenstelling tot vrijwel
alle andere prozawerken in de Latijnse literatuur, uitsluitend voor het vermaak
van de lezer geschreven, wat Apuleius aan het begin zelf ook al aangeeft. Als
titel wordt vaak (en ook in dit geval) gekozen 'de gouden ezel'. Dat gebeurt
voor het eerst in een passage van Augustinus en is later gemeengoed geworden.
Vermoedelijk
echter gaat dat terug dat op een kwalificatie van het werk niet als 'de
gouden ezel', maar als 'de gouden "ezel"', 'het gouden boek over de
ezel', waarbij 'gouden' als blijk van hoge waardering dient; goud heeft in het
verhaal van de ezel hoegenaamd geen functie. In het Nederlands zou je kunnen
zeggen: 'de briljante Ezel'. Overigens komt de echte titel van het werk,
'Metamorfosen', bij Hunink ook als subtitel voor. Het meervoud is op het
eerste gezicht merkwaardig, omdat de hoofdpersoon slechts één
gedaanteverwisseling ondergaat: hij wordt in een ezel veranderd, waarbij zijn
brein menselijk blijft (in tegenstelling tot zijn spraakvermogen). Dit kan
niet als een promotie beschouwd worden, al was de ezel in de oudheid niet
zozeer de belichaming van domheid als wel van (koppigheid en) seksuele
bandeloosheid. Dit laatste aspect komt ook in het boek uitvoerig aan de orde.
Overigens krijgt'Lucius'aan het eind van het werk zijn menselijke gedaante
terug. Er komen daarnaast ook nog andere gevallen van metamorfose aan de orde,
en wel in enkele verhalen die onderdeel vormen van het boek. Dat bevat daarmee
elementen van een raamvertelling, maar in tegenstelling tot de werken van
Boccaccio en Chaucer blijft de vertellijn wel in eerste instantie die van de
lotgevallen van de verteller/hoofdpersoon.
Nederlandse
namen
Deze
ikfiguur presenteert zich dus als 'Lucius'. In deze naam en in die van zijn
kortstondige geliefde Photis heeft de vertaler een zinspeling gezien op het
begrip 'licht', zodat hij de jongedame 'Loesje' laat heten. Dat is aardig
gevonden, maar de (anti-held heette al Lucius in het Griekse verhaal waarop
Apuleius' werk gebaseerd is, en in het Grieks gaat de woordspeling niet op.
Hunink heeft verder voor alle namen een Nederlands equivalent gezocht, soms
wat ver gezocht, maar in andere gevallen zeer amusant (Asinius Marcellus wordt
'Marcellus Ezelmants' op p 240!). Het verhaal speelt in Griekenland en met
name in Thessalië, dat in de oudheid bekend stond als de streek waar
toverkunsten bij uitstek beoefend werden. De hoofdpersoon is daar wat al te
nieuwsgierig naar, met het bovenvermelde gevolg. Over deze en andere
achtergronden kan men lezen in een informatief en helder 'Nawoord' van de
vertaler, waarin hij terecht de lezer niet lastig valt met bijzonderheden over
het leven en de andere werken van Apuleius. Wat minder gelukkig uitgevallen
zijn de 'Noten', niet doordat ze onjuiste informatie verschaffen, maar door
een zekere onevenwichtigheid in de keuze. Zo wordt wel het verhaal over
Medea's wraak op Jason toegelicht, maar niet de toch wel iets minder bekende
achtergrond van de zelfmoord van Ajax, en menige lezer zal zich minder het
hoofd breken over de vraag waar de stad Aegium lag dan willen weten wat er
bedoeld wordt met 'Milesische stijl' in het begin (een vrij onbekend literair
genre).
(...) [ca. 1 kolom
hier niet overgenomen]
En ten slotte
produceert Apuleius aan de lopende band nieuwe, door hemzelf bedachte woorden
en syntactische constructies. Dat zou in het Nederlands resulteren in een ook
zeer gemaniëreerde stijl waarin woorden uit Huygens en Cats gecombineerd
worden met neologismen in de stijl van de Tachtigers en hun volgelingen. De
lezer van deze vertaling bemerkt onmiddellijk dat Hunink dit absoluut niet
nagestreefd heeft. Hij heeft wel enkele archaïsmen: als de lezer al in de
vijfde regel van het eigenlijke verhaal (p 9) leest over 'veie landerijen',
denkt hij eerst dat er 'vele' staat; maar nee, het woord wordt vermeld in Van
Dale en blijkt te betekenen 'zeer vruchtbaar'. Prachtig! Ook 'docht het' soms
iemand goed. Dergelijke vondsten zijn echter zeldzaam, en dat geldt ook voor
nieuw bedachte woorden, al zijn ze er wel, zoals de 'veelblaasgatige' fluit op
p 216. Om een vergelijking mogelijk te maken: het Latijnse equivalent van p 11
bevat zes neologismen en twee archaïsmen (nog afgezien van enkele gevallen
waarin aan een bestaand woord een nieuwe betekenis wordt gegeven). Welke vorm
heeft de vertaler dan wel gekozen om het exuberante Latijn van Apuleius weer
te geven? Hij hanteert in het algemeen een enigszins gedragen stijl (zelf
noemt hij Reve als voorbeeld), die echter regelmatig afgewisseld wordt met
uitdrukkingen uit modern Nederlands spraakgebruik van allerlei soort en
herkomst. De taal is daardoor veel gevarieerder dan de consequent volgehouden
barok van het origineel; men zou kunnen zeggen dat de leesbaarheid het wint
van de getrouwheid in stijl. In het gekozen idioom zijn heel wat fraaie
vondsten en geestige vertalingen aan te treffen. Zo spreekt hij bij de eerste
liefdesscène tussen Lucius en 'Loesje' van een 'amuse voor de Venerische
Spelen' en schrijft hij: 'Van het origineel van die nacht maakten wij nog
aardig wat kopieën' (p 34 e v), in beide gevallen zeer dicht bij het Latijn.
Aan de verleiding, meer van zulke grappen te citeren zal ik weerstand bieden;
u moet het zelf maar lezen.
Stijlbreuken
Onvermijdelijk zijn
er ook wel een paar gevallen die minder geslaagd zijn, bv als de vertaler bij
herhaling het woord 'loverboy' gebruikt waar niets meer is bedoeld dan
'jeugdige minnaar'. Een enkele keer treffen we verschillende stijlniveaus aan
binnen dezelfde zin: op p 169 spreekt Hunink van 'zompige poelen' (wat aan
Toonder doet denken) en van 'blubberige kledder'; het is niet duidelijk of dit
duidelijke verschil in register bewust nagestreefd is of veroorzaakt door de
moeilijkheid, twee stilistisch gelijkwaardige begrippenparen te vinden. Een
fraai voorbeeld van een waarlijk Apuleiaanse zin vinden we op p 185: 'En zie,
zo liep met de geordende banen der sterren het jaar via reeksen van dagen en
maanden op zijn eind en waren we na de mostrijke najaarsverrukkingen tot
winterse Steenbokvorst afgezakt'. Het is daarbij misschien wel interessant te
noteren dat de aldus begonnen zin in het Latijn nog doorloopt over een lengte
die overeenkomt met meer dan vijf regels in het Nederlands, maar dat is zoals
bekend moge zijn het gevolg van het feit dat in onze taal zo'n complexe
constructie met allerlei deelwoorden en verschillende soorten bijzinnen
ongewoon is en waarschijnlijk ook ongewenst gevonden wordt, zeker in een tijd
van zappen en videoclips. Als u, geachte lezer, liever een vertaling zou lezen
die ook stilistisch een nauwkeurige afspiegeling was van het ongewone Latijn
van Apuleius, zult u ongetwijfeld zeer lang moeten wachten. Maar waarom zou u?
De nu bestaande lost zeker de belofte in die de oorspronkelijke auteur aan het
begin doet: 'U zult er plezier aan beleven, lezer'.
recensie door
W i m V e r b a a l
in: Hermeneus 76, 2004, 203-5
Als
leerkracht Latijn in de hogere klassen van het middelbaar onderwijs voelde ik
het als een zware beperking dat mijn leerlingen nooit eens de gelegenheid
kregen om één van de vele meesterwerken die wij in de lessen bespraken
volledig te lezen. Daarom besloot ik ze een werk in vertaling op te geven als
examenlectuur. Welk boek leende zich hier beter voor dan Apuleius’ Gouden
ezel? Het betrof hier een roman, dus een genre waarmee moderne jongeren
toch enige vertrouwdheid hebben. Hij is in een luchtige stijl geschreven en
bestaat in feite uit een aaneenrijging van anekdoten die weinig toelichting
nodig hebben. Kortom, dacht ik, voor jongeren een ideale aanvulling bij de
zwaardere, ernstigere auteurs die zij meestal in hun lessen te zien krijgen.
Alleen,
welke vertaling moest ik nemen? Ik kon kiezen voor die van Schwartz, die in
1969 bij Tjeenk Willink verscheen en later verscheidene herdrukken beleefde
bij Athenaeum. Toen ik haar weer in handen nam, leek de stijl ervan mij toch
niet meer in staat om jonge mensen nog aan te spreken. In het sprookje van Amor
en Psyche wordt de eerste liefdesnacht van de beide hoofdpersonen als
volgt beschreven: “Het was al diep in de nacht, toen een zacht geruis haar
oor trof. Zij vreesde in jonkvrouwelijke vrees en in haar verlatenheid
huiverde zij van angst voor het onbekende, erger dan welk onheil ook. En reeds
was hij bij haar, haar onbekende echtgenoot; hij had haar bed bestegen, had
Psyche tot zijn vrouw gemaakt en vóór het daglicht was hij haastig
verdwenen. Dadelijk waren de stemmen weer aanwezig in haar kamer om de
jonggehuwde – nu geen maagd meer – te verzorgen.”
Ik
koos dus voor de enige andere vertaling die op dat moment te vinden was, die
van Stefan van den Broeck (Antwerpen, 1988), al had ik wel enige bedenkingen
bij de vrijheid die de vertaler zich tegenover het origineel veroorloofde. Zo
luidt dezelfde passage bij hem: “In het holst van de nacht hoorde ze plots
een zacht geluid. Het besef dat ze alleen was deed haar vrezen voor haar
maagdelijkheid. Ze beefde van angst voor een gevaar dat onzichtbaar en dus des
te angstaanjagender was. Daar was hij al, de onbekende echtgenoot: hij klom in
bed, ontmaagdde Psyche en verdween weer snel voor zonsopgang. Direct waren de
stemmen, die voor de slaapkamerdeur hadden gewacht, weer daar om voor de
kersverse, pas ontmaagde echtgenote te zorgen.” Ondanks mijn eigen
bedenkingen kwamen de reacties van mijn leerlingen toch nog volstrekt
onverwacht. Zij (en in veel mindere mate sommige ouders) waren ronduit
beledigd dat ik ze zulke “pornografische lectuur” te lezen gaf (ik citeer
hun commentaar letterlijk). De vrijheden die de vertaler zich permitteerde om
de tekst als “een boeiende roman in vlot Nederlands” te kunnen
presenteren, bleken bij de leerlingen juist het tegenovergestelde effect te
hebben van wat ik hoopte te bereiken. Zij ergerden zich aan de grove
obsceniteiten die zij hier te lezen kregen. Dus liet ik het jaar nadien mijn
voornemen maar varen.
Intussen
zijn er een paar nieuwe vertalingen op de markt gekomen, die laten zien dat
het ook anders kan. In 2000 verscheen bij Athenaeum in de Kleine Belletrie
serie de vertaling van Amor en Psyche
door Emilie van Opstall. Zij bewijst dat men Apuleius ook op een natuurlijke
manier kan vertalen zonder in één van beide extremen te vervallen. Haar
stijl is modern, niet “filologisch” en blijft trouw aan het origineel
zonder dit slaafs te imiteren. Bovenstaande passage vertaalde zij als volgt:
“Diep in de nacht hoorde zij een vriendelijk stemgeluid. Doordat Psyche
helemaal alleen was, begon zij toen te vrezen voor haar maagdelijkheid; zij
beefde en sidderde en was bang voor een onbekend, en daardoor des te
angstaanjagender gevaar: daar stond haar mysterieuze echtgenoot. Hij was
meteen op het bed geklommen, had Psyche tot zijn vrouw gemaakt en was voor het
daglicht alweer snel vertrokken. Dadelijk ontfermden de stemmen die bij de
slaapkamer klaarstonden zich over de nieuwe bruid, die haar maagdelijheid was
verloren.”
Het
nadeel van deze vertaling was dat zij zich tot het centrale sprookje beperkte.
De rest van Apuleius’ meesterwerk moest op een andere vertaler wachten. Deze
heeft zich intussen aangediend. In 2003 verscheen de volledige Gouden
ezel in een vertaling van Vincent Hunink. Dit hoeft niet te verbazen. Want
al zijn door Vincent Hunink intussen heel wat klassieke auteurs vertaald, het
is geen geheim dat hij als wetenschapper internationale bekendheid geniet om
zijn Apuleius-studies. Het zat er dus wel in dat hij zich ook eens aan de
vertaling van Apuleius’ roman zou wagen, zeker nadat hij bij Athenaeum al
ander werk van zíjn auteur had laten verschijnen (Toverkunsten
in 1992).
In
zijn Gouden ezel valt dan ook
onmiddellijk op dat hier een vertaler aan het werk is voor wie Apuleius nog
maar weinig geheimen bezit en die bovendien het Nederlands zo goed beheerst
dat hij het soms toch wel erg barokke taalgebruik van het origineel op een
aanvaardbare manier weet over te brengen. Ik geef hier dezelfde passage als
boven. “Diep in de nacht bereikten zachte geluiden haar oren. Daarop begon
zij in haar totale verlatenheid te vrezen voor haar maagdelijkheid, en zij
beefde en huiverde en voelde grotere angst voor het onbekende dan voor wat
voor kwaad dan ook. Daar was dan haar onbekende echtgenoot... Hij had het bed
al bestegen en Psyche tot zijn vrouw gemaakt en was voor de dageraad alweer
snel vertrokken. De stemmen waren voor de deur aan het wachten en ontfermden
zich dadelijk over het jonge bruidje en haar verloren maagdelijke staat.”
Vincent
Hunink veroorlooft zich op sommige vlakken meer dan zijn voorgangers. Zo laat
hij de traditionele indeling in elf boeken varen. Bij hem telt het verhaal 36
korte hoofdstukken met een voorwoord. Elk hoofdstuk bevat een min of meer
afgerond geheel. Dit geeft onwillekeurig een enorme snelheid aan het lezen,
waardoor de roman opnieuw veel “moderner” wordt. Wel heeft de
oorspronkelijke structuur hier wat onder te lijden. Zo is het niet langer
duidelijk dat het sprookje van Amor en
Psyche precies het midden van het boek uitmaakt.
Ook
heeft de vertaler ervoor gekozen om de sprekende namen uit het Grieks naar
Nederlandse equivalenten te vertalen. Dit kan tot bijzonder goede vondsten
leiden. Het slavinnetje Photis heet bij hem Loesje, waaraan dezelfde
connotatie van “licht” verbonden blijft. Dat hij een enkele maal de bal
misslaat, is onvermijdelijk. Wanneer zich bij de roversbende een nieuwe
trawant aanbiedt en zich voorstelt als “de beroemde roverhoofdman Bloedje de
Thraciër”, dan roept zijn naam bij mij helaas niet de associatie op van
bloed en bloeddorst, zoals Apuleius dit toch waarschijnlijk gewild heeft toen
hij hem Haemus doopte. Een “bloedje” lijkt mij eerder iets kwetsbaar en
bijna onnozel, in elk geval geen afschrikwekkende moordenaar.
Meer
moeite heb ik met enkele elementen in het nawoord, dat als geheel overigens de
grondige vertrouwdheid van de vertaler met Apuleius en zijn werk verraadt.
Zelf voel ik echter weerstand wanneer ik werken uit het verleden hoor
karakteriseren met modieuze begripjes als “een postmodern boek avant la
lettre” (p. 254). Ook stel ik toch vragen bij de nadruk waarmee de laatste
“postmoderne” decennia vrijwel in alle vroegere literatuur “een spel”
menen te ontdekken. Zegt dit niet meer over ons “Belle Époque”-gevoel dan
over Apuleius die er toch maar in geslaagd is om ernst en frivoliteit in “één
ondeelbaar, uniek geheel” te verwerken, zoals de vertaler terecht opmerkt
(p. 253)? Misschien is het juist onze vervreemding tegenover de universaliteit
van een schrijver als Apuleius, die ons wat onwennig maakt en waardoor zijn
roman uiteindelijk “ongrijpbaar” blijft (p. 253).
Wat
tenslotte de taal betreft, is al gezegd en al dikwijls gebleken dat Vincent
Hunink het Nederlands goed meester is. Ditmaal volgt hij duidelijk het spoor
van Van Opstall, wat hij in het nawoord ook onomwonden toegeeft. Zijn
vertaling leest vlot en ongekunsteld, zonder filologische “tics”en ook
zonder het origineel geweld aan te doen. Hier en daar lijkt het Nederlands
misschien wat gewrongen, maar dit blijkt vrijwel steeds overeen te komen met
Apuleius’ Latijn, dat, zoals geweten, zijn derde taal maar was: nà zijn
Afrikaanse moedertaal en het Grieks van zijn studiejaren.
Al met
al kan men de vertaler alleen maar bijtreden, wanneer hij in het nawoord
beweert: “Deze vertaling is een waagstuk.” (p. 254). Maar men moet hem
geruststellen: het waagstuk is de moeite waard gebleken. Het resultaat mag er
zijn. Apuleius’ Gouden ezel kan eindelijk genoten worden als een roman en de woorden
waarmee de schrijver zijn voorwoord besluit, klinken misschien voor het eerst
écht waar in het Nederlands: “Lezer, let op: u zult er plezier aan
beleven.”
uit de recensie door
L u c A e r t s
in: Ethische Perspectieven 14, 2004, 210-3
(...)
Het geniale aan Huninks vertaling is, dat hij al deze elementen meegeeft
zonder zijn toevlucht te moeten nemen tot een uitgebreid voetnotenapparaat.
Soms geeft dit naar mijn smaak een iets té moderne tint aan de vertaling,
bijvoorbeeld door het gebruik van Engelse woorren (de Griekse touch,
loverboy) waardoor de vertalinc misschien iets te snel gedateerd kan
raken.Maar dat wegt niet op tegen de precisie waarmee Hunink tewerk is gegaan.
Het was me opgevallen dat er in de vertaling soms stijlbreuken waren,
bijvoorbeeld in een zin als '[ ...] maar
standbeelden en portretten, zo moge ik u raden, blijven beter voorbehouden aan
personages die voornamer en gewichtiger zijn als
mij.' Ik vond het vreemd dat
die hoogdravende taal van Lucius eindigt op pure spreektaal, Vincent Hunink
bevestigde mij echter dat dit exact was wat er in het Latijn stond. Het werk
van Apuleius was welbewust hybride. gelaagd en vol stijlbreuken en zijn
vertaling probeert hieraan nadrukkelijk recht te doen. Zo is het door mij
gewraakte als mij een welbewust door
hem in de Nederlands vertaling ingelaste fout, waarmee de spreker zichzelf na
zijn hoogdravende woorden eigenlijk ontmaskert als iemand die cultureel
gesproken boven zijn stand leeft, die dus min of meer bluft. Het Latijn bevat
volgens hem op dit punt een niet toegelaten wending, die waarschijnlijk een
graecisme is.
Vincent
Hunink heeft een bijzonder getrouwe vertaling gemaakt waarin de stijl van
Apuleius goed tot uiting komt. De vertaling van M. A. Schwartz. die in 1970
verscheen, had ook haar verdiensten. maar Schwartz heeft, in tegenstelling tot
Hunink, alle inconsequenties in Apuleius' tekst in zijn vertaling weggewerkt.
Een voorbeeld. Apuleius schrijft in boek VIII. 19: 'Interea quidam senex de
summo colle prospectat, quem circum capellae pascentes opilionem esse profecto
clamabant [...] et cum dicto conductis oviculis conversus longe recessit'.
In de eerste zin heeft hij het over een herder die geitjes hoedt, en
enkele regels verder verzamelt diezelfde herder zijn schaapjes, draait zich
om en verwijdert zich. Schwartz verbetert de tekst en gebruikt op beide
plaatsen het woord 'schaap'. Hunink houdt zich strikt aan de Latijnse tekst en
heeft het in de eerste zin over 'geitjes' (capellae)
en verderop over 'schaapjes'
(ouiculis). Waarmee kan worden
aangetoond dat Hunink veel tekstgetrouwer vertaalt dan Schwartz
(...)
'De gouden pechvogel'
door
Pieter Steinz
in: NRC
Handelsblad, za 2/zo 3 oktober 2004, p.57
Overmorgen
is het dierendag en Pieter Steinz wijdt
deel 34 van zijn serie over thema’s in de wereldliteratuur aan dieren in het
algemeen en De gouden ezel van
Apuleius in het bijzonder.
Wat
zou de literatuur zijn zonder dieren? Al lang voordat Homeros belangrijke
bijrollen gaf aan zeemonsters, zwijnen en ossen (en niet te vergeten aan een
trouwe hond die zijn baasje na twintig jaar nog herkent) – al lang voor de Odyssee dus, was het dier de ster in mythen en volksverhalen. En al
lang voordat de Griekse dichter Aisopos de dierenfabel ontwikkelde, werden
domme en ijdele dieren beschreven om menselijke hebbelijkheden te kritiseren.
Nog steeds zit in de meeste fictie over dieren een wijze les verstopt, zoals
twee jaar geleden weer bleek toen Yann Martel de Booker Prize won met een
roman over een schipbreukeling die – via een omweg – veel over het leven
leert van een Bengaalse tijger.
Nergens
zijn dieren zo populair als in strips (Donald
Duck, Heer Bommel en Tom Poes, Maus) en in kinderboeken. De onderstaande
tijdbalk had gemakkelijk gevuld kunnen worden met klassiekers voor onder de
twaalf, van De sprookjes van moeder de
gans (met onder meer de Gelaarsde Kat) en Pinokkio
tot Het verhaal van Pieter Konijn en
Niels Holgerssons wonderbare reis.
En hoewel het in deze vier boeken toevallig goed afloopt met de dierlijke
hoofdpersonen, is dat bepaald niet gebruikelijk. Vooral in het
volwassen-boek-voor-kinderen wacht de dieren een afschuwelijk lot, zoals het
slachthuis (het werkpaard Boxer in Boerderij
der dieren) of de dood door uitputting (Joli-Coeur in Alleen op de wereld). Een aantal van de ‘zakdoekboeken’ die ik
vorige week bij ‘boeken om te huilen’ had ondergebracht, had ik deze keer
weer kunnen opnemen.
De
gouden ezel, ook wel bekend
als Metamorphoses, hoort daar niet bij. Er overkomt de hoofdpersoon van
Apuleius’ Latijnse roman veel ergs – want hij wordt veranderd in een ezel,
en de Romeinse samenleving staat niet bepaald bekend om haar
diervriendelijkheid; maar uiteindelijk komt hij op wonderbaarlijke wijze goed
terecht. En erg moralistisch, zoals de meeste schrijvers van dierenverhalen,
is Apuleius van Madaurus (ca 125-180) ook niet. Je zou kunnen zeggen dat de
flierefluitende held Lucius wordt gestraft voor zijn nieuwsgierigheid; hád-ie
maar niet zo dom moeten zijn om zich te laten besmeren met een heksenzalfje.
Maar daar gaat het in De gouden ezel niet
om. In de traditie van de Griekse avonturenroman wil Apuleius vooral
sensationele verhalen vertellen – en aan wie kun je die beter ophangen dan
aan een eeuwige pechvogel?
En
dus maakt Lucius kennis met heksen, rovers, nouveaux riches en oversekste
matrones. Hij wordt afgebeuld, tot bloedens toe geslagen en ingezet bij een
bestialistische kermisattractie. Onderweg (en loerend op de remedie voor zijn
betovering) hoort hij de meest fantastische verhalen – dankzij zijn grote
oren, maar ook omdat niemand in de nabijheid van een ezel een blad voor de
mond neemt. Veel van die vertellingen zijn beroemd geworden: het sprookje van
Amor en Psyche bijvoorbeeld, dat onder anderen Couperus inspireerde; het Don
Quichot-achtige gevecht van Lucius met een aantal betoverde leren zakken; het
tegenwoordig uit de Decamerone bekende verhaal van de betrapte vrouw die haar minnaar
verstopt in een groot vat. Lucius, de ikfiguur, vertelt het allemaal met
smaak, en bovendien in een stijl die door de grote variatie modern aandoet.
Dat
laatste is ook de verdienste van Vincent Hunink, die de Metamorphoses
een jaar geleden opnieuw in het Nederlands vertaalde. In zijn nawoord legt hij
uit dat Apuleius ook in zijn proza het thema van het boek, de
gedaantewisselingen, wilde laten uitkomen. Met als gevolg dat we in De gouden ezel plechtig taalgebruik afgewisseld zien met spreek- en
reclametaaltaal, filosofische uitweidingen met flauwe naamgrapjes en tragedie
met komedie. Apuleius speelt een spel met de literatuur vóór hem,
introduceert een volkomen onbetrouwbare verteller, en kan door zijn
intertekstuele grapjes en de vermenging van hoge en lage cultuur gezien worden
als de eerste der postmodernisten. Lector
intende: leaetaberis luidt geheel terecht het motto van de roman –
‘Lezer, let op: u zult er plezier aan beleven.’
(overgenomen
met toestemming van auteur en redactie NRC)
link:
www.nrc.nl
Links
direct
bestellen bij de uitgever
Naar
index andere Apuleius-bijdragen van Vincent Hunink op deze website
naar
andere Apuleiusvertalingen: Toverkunsten
(incl. volledige tekst),
Pronkpassages (incl.
volledige tekst) en Rhetorical
works
Een
deel van de vertaling is ook opgenomen in een bloemlezing:
Apuleius,
Metamorphoses, V 21-24, in, Patrick Lateur, Amor in Roma.
Liefdesavonturen van Catullus tot Claus, Athenaeum-Polak & Van Gennep,
Amsterdam, 2006, p. 63-65 (ISBN 90 253 3157 2)
latest changes
here: 19-12-2011 14:57
|
Apuleius-bijdragen
op VincentHunink.nl
Latijnse
tekst Metamorfosen
Athenaeum-Polak
& Van Gennep |