|
CICERO
De Goden
(De natura deorum)
vertaald door Vincent Hunink,
inleiding J.den Boeft
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1993
Cicero's boeiende werk over de
Goden, met onder meer een sterk ironiserende bespreking van de godenleer van
Epicurus. Die wordt daarmee geen recht gedaan, maar vermakelijk is het wel.
Leedvermaak is er ook: Cicero citeert uit zijn eigen verzen, die ik, conform hun
kwaliteit, zo lelijk mogelijk heb proberen te vertalen.
De inleiding tot de vertaling
is van J. den Boeft (emeritus hoogleraar Latijn, Vrije Universiteit Amsterdam).
Het boek is helaas niet meer
leverbaar. Op deze site kunt u wel de volledige tekst
van de vertaling gratis en voor niets downloaden.
Fragment
[Uit
het betoog van de Stoďcus Balbus:]
"Ik
zeg dus dat de wereld en alle delen van de wereld door de voorzienigheid der
Goden in den beginne zijn gemaakt en te allen tijde worden bestuurd. Deze
stelling wordt in onze school doorgaans in drie onderdelen gesplitst. Het eerste
deel is afgeleid van het argument dat de Goden bestaan: als men dat heeft
beaamd, moet men erkennen dat de wereld door hun wijsheid wordt bestuurd. Het
tweede deel laat zien dat alle dingen onderworpen zijn aan een met bewustzijn
begiftigde natuur en zich daardoor op een prachtige manier voltrekken. Als men
dit heeft vastgesteld, volgt eruit dat ze vanuit levende beginselen zijn
voortgekomen. Het derde punt is afgeleid van de bewondering die we voelen voor
de dingen van hemel en aarde.
Over
naar het eerste argument. Je kunt natuurlijk ontkennen dat er Goden bestaan.
Democritus doet dat op een bepaalde manier door met ‘afbeeldingen’ aan te komen
zetten, en Epicurus met ‘beelden’. Maar wie het bestaan van de Goden aanvaardt,
die moet erkennen dat ze ook iets doen, en wel iets voortreffelijks. Welnu, er
is niets voortreffelijkers dan het bestuur over de wereld; dus wordt zij
bestuurd door de wijsheid der Goden. Zoniet, dan moet er in elk geval iets
hogers en machtigers bestaan dan de Godheid, van welke aard ook, of het nu
levenloze natuur is of een lotsnoodzaak die met grote kracht voortgaat alle
schitterende dingen te scheppen die wij zien. Maar dan is het wezen der Goden
dus niet oppermachtig en niet uitmuntend, voorzover het immers onderworpen is
aan die lotsnoodzaak dan wel natuur waardoor hemel, zee en aarde worden geleid.
Maar niets staat hoger dan de Godheid, dus moet de wereld door hem geleid
worden. Aan geen enkele natuur is de Godheid dus ondergeschikt of onderworpen:
hij leidt derhalve zelf heel de natuur.
Verder, als we aanvaarden dat de Goden intelligent zijn, aanvaarden we tevens
dat ze voorzienig zijn en wel in de belangrijkste dingen. Zouden ze dus niet
weten welke zaken het belangrijkst zijn en hoe die aangepakt en beheerst moeten
worden, of zouden ze misschien niet de macht hebben om zaken van zulk gewicht op
zich te nemen en te dragen? Maar onwetendheid is aan het wezen der Goden vreemd,
en moeite om een bepaalde taak op zich te nemen vanwege zwakheid valt volstrekt
buiten de goddelijke majesteit. Waaruit blijkt wat wij beweren: de wereld wordt
bestuurd door de voorzienigheid van de Goden.
Aangezien de Goden bestaan (aangenomen dat ze bestaan, zoals ook werkelijk het
geval is), moeten ze ook levend zijn, en niet alleen levend maar ook in het
bezit van rede. En ze moeten dan onderling verbonden zijn in een soort
burgergemeenschap en ‑samenleving, waarbij ze de leiding hebben over deze ene
wereld als over een gemeenschappelijke staat of stad.
Hieruit volgt dat ze dezelfde rede hebben als de mens en dat voor beide dezelfde
waarheid geldt, dezelfde ‘wet’ die het juiste voorschrijft en het verkeerde
verbiedt. En hieruit kun je begrijpen dat praktisch inzicht en geest bij de
mensen van de Goden komen. Om die reden zijn in het bestel van onze voorouders
Geest, Trouw, Deugd en Eendracht vergoddelijkt en publiekelijk met tempels
geëerd. Hoe zou het mogelijk zijn te ontkennen dat zij onder de Goden verkeren,
wanneer wij hun afbeeldingen plechtig en devoot aanbidden? En als de mensheid
geest, trouw, deugd en eendracht bezit, waar anders vandaan kunnen die dan zijn
afgedaald naar de aarde dan van de hemelmachten? En daar wij wijsheid, rede,
praktisch inzicht hebben, moeten de Goden diezelfde eigenschappen in nog veel
sterkere mate hebben, en niet alleen hebben, maar ook gebruiken, bij de grootste
en belangrijkste zaken.
Maar
er is niets hogers of beters dan de wereld; zij moet dus door de wijsheid en
voorzienigheid van de Goden worden bestuurd.
Tenslotte, aangezien we
nu genoeg bewijzen hebben geleverd voor de goddelijkheid van de wezens wier
bijzondere macht en buitengewone pracht wij kunnen zien ‑- ik bedoel zon en
maan en de zwervende en vaste sterren, de hemel, de wereld zelf en al die dingen
ter wereld waar de mens zo veel voordeel en gemak van heeft -‑ dan moet de
conclusie luiden dat alles wordt geleid door een goddelijke geest en een
goddelijk inzicht."(boek
2, 75-80)

Volledige tekst
De volledige tekst van De Goden, vertaald door Vincent Hunink (Amsterdam 1993) is
op deze site beschikbaar. Iedereen wordt van harte uitgenodigd om de tekst te
downloaden en te lezen. Wilt u fragmenten van de tekst overnemen in een commerciële
uitgave, dan is toestemming van de uitgever nodig (Singel 262, 1016 AC
AMSTERDAM). Een berichtje naar mij
wordt sowieso op prijs gesteld ! Het is voor mij aardig om te horen wat er met
deze tekst gebeurt.
Gebruik
onderstaande link om het bestand te downloaden.
Het
bestandsformaat is PDF. De grootte van het bestand is 664
kB. Bij een tragere internetverbinding kan het dus even duren voor u het
bestand op uw computer heeft.
download
de integrale tekst van De Goden (PDF)

Recensie
De meest uitvoerige
beschouwing verscheen van de hand van P i e t G e r b r a n d y
in De Groene Amsterdammer van 30 maart 1994.
Daarin geen nader oordeel
over de vertaling.
===
Ook een mooi stuk van H a
n s O r a n j e in Trouw van 29 januari 1994.
'Levendige vertaling' is daar
de enige qualificatie die op de vertaling zelf betrekking heeft.
Andere
Cicero-bijdragen op Vincenthunink.nl
latest changes
here: 19-12-2011 14:57
|