|
POËTISCHE ARCHEOLOGIE
vertalen van Latijnse fragmenten
tekst gepubliceerd in: Filter, tijdschrift
over vertalen, 13, 2006, 55-59
[begin p.55]Wie
in de boekhandel bij de afdeling klassieken rondkijkt, ziet veel mooie uitgaven,
waaronder vertalingen van grote antieke gedichten, zoals Vergilius' Aeneïs
en Georgica en Ovidius' Metamorfosen. Je zou de indruk kunnen
krijgen dat er uit de oudheid vooral omvangrijke werken compleet zijn
overgeleverd.
Niets is echter minder waar. Van heel wat
belangrijke auteurs zijn de teksten in gehavende staat overgeleverd. Deze
auteurs bereiken de Nederlandse lezer daarom veelal niet. Want wie waagt zich
aan het uitgeven van incomplete teksten?
Er zijn natuurlijk uitzonderingen. Voor
de schaarse overgeleverde regels van de Griekse dichteres Sappho (ca. 600
v.Chr.) is er wereldwijd grote belangstelling. Een recente ontdekking van een
nieuw fragment heeft ook in Nederland en Vlaanderen tot krantenartikelen geleid.
Paul Claes heeft zijn Sappho-vertaling meteen maar herzien en opnieuw uitgegeven
(2006). In 2005 publiceerde dezelfde vertaler bovendien De gouden lier,
een monumentale bloemlezing van veelal fragmentarisch bewaarde oud-Griekse
lyrische dichters, onder wie Sappho.
De Romeinse literatuur heeft helaas geen
Sappho. En in het algemeen spreken de slechts in brokstukken overgeleverde
dichtwerken uit het vroege Rome minder tot de verbeelding dan hun pendanten uit
de Griekse literatuur. Ook van grote voorgangers van Vergilius en Ovidius, zoals
Naevius (ca. 200 v.Chr.), Ennius (239-169) en Pacuvius (ca. 220-130) is amper
iets in het Nederlands beschikbaar.
Al lange tijd had ik mij voorgenomen daar
iets aan te doen en onlangs kreeg ik de gelegenheid om mijn plannen te
verwezenlijken. Tijdens een gesprek met uitgever Ivo Gay bleek ons gedeelde
enthousiasme voor de oudste Romeinse dichters, en wij kwamen tot afspraken. Het
tastbare resultaat wordt een kleine reeks tweetalige uitgaven van archaïsch-Romeinse
poëzie (Bibliotheca Latina Archaica). Het gaat hierbij om teksten die
nooit volledig in het Nederlands zijn vertaald, zoals de fragmenten van de Odusia
van Livius Andronicus (ca. 200 v.Chr), van Naevius' Punische Oorlog, de Annalen
van Ennius en de Satiren van Lucilius (180-102).1
In deze bijdrage wil ik in het kort
schetsen wat de bijzondere problemen zijn waarvoor een vertaler van
fragmentarische oude poëzie zich gesteld ziet, en welke mogelijkheden het
materiaal biedt. Ik concentreer me daarbij op de vertaling van Ennius' Annalen,
een epos over de geschiedenis van Rome.
Fragmenten
Het meest in het oog springende probleem
is, uiteraard, de versnipperde staat van het materiaal. Ook van een gevierde
dichter als Ennius, wiens Annalen decennia lang Rome's Nationale Epos
vormden, is geen exemplaar tot in de middeleeuwen bewaard [begin
p.56] gebleven en verder gekopieerd. Na de verschijning van Vergilius' Aeneïs
in 19 v.Chr. werd alle oudere Romeinse epiek overschaduwd. In Ennius' geval
resten er zo'n zeshonderd losse fragmenten, geciteerd bij latere auteurs,
doorgaans grammatici, commentatoren en taalkundigen. Veel dichtregels worden
geciteerd vanwege een vreemd Latijns woord of een ongebruikelijke vorm.
De fragmenten vertonen deels dus het
aanzien van een rariteitenkabinet. Ook laten ze in eerste instantie weinig zien
van de oorspronkelijke structuur van het gedicht. Gelukkig hoeft de vertaler het
wetenschappelijke grondwerk niet te doen: daaraan hebben generaties van
geleerden zich gewijd. De losse stukjes uit Ennius' Annalen laten zich
tamelijk goed ordenen in een structuur van 18 boeken, enerzijds doordat
citerende auteurs vaak expliciet aangeven uit welk boek hun aanhaling afkomstig
is, anderzijds doordat bepaalde historische details een toewijzing binnen het
geheel mogelijk maken. Ennius behandelt de geschiedenis van Rome namelijk
chronologisch, vanaf het begin tot zijn eigen tijd. Voor een Nederlandse
vertaling kan simpelweg de meest gezaghebbende uitgave van de tekst worden
gebruikt: de uitgave van Skutsch uit 1985.
Maar daarmee is het probleem van het
fragmentarische nog niet helemaal opgelost. Ik stelde mij uitdrukkelijk ten doel
om het poëtische karakter van de tekstscherven zoveel mogelijk tot zijn recht
te laten komen. Dat betekende dat de toegevoegde informatie over de contekst en
inhoud beperkt moest blijven. Maar hoe moesten de soms uitvoerige
wetenschappelijke discussies dan worden weergegeven? Over elke losse regel is
met gemak twee, drie pagina's commentaar te geven.
Ik heb gekozen voor een praktische
oplossing. De volgorde, nummering en tekst van de fragmenten is die van de
wetenschappelijke editie, en ook de interpretatie volgt die vrijwel steeds. Maar
in plaats van uitvoerige discussies per vers heb ik algemene informatie vooraf
gegeven per antiek boek. Daarin kon ik vooral de gang van het historische
verhaal toelichten die de fragmenten verbindt. Verder heb ik de losse
fragmenten, in afwijking van Skutsch, waar mogelijk geclusterd, en voorzien van
summiere inleidende woorden, waarin de resultaten van de wetenschappelijke
discussies worden samengevat. Bij wijze van voorbeeld van dit laatste volgt hier
een groepje fragmenten over de beruchte slag bij Cannae (216) uit de Tweede
Punische Oorlog.
*8,4-11
de
slag bij Cannae
-
drie fragmenten van een rede van Aemilius Paullus die waarschuwt tegen
overhaaste acties -
cavalerie-manoeuvres -
stof op het slagveld van Cannae -
effect van het zonlicht tijdens de slag -
een regen van speren -
troepen op het slagveld
'multa
dies in bello conficit unus
<...>
et
rursus multae fortunae forte recumbunt:
[begin p.57]
haud
quaquam quemquam semper fortuna secuta est'
'veel vermag in oorlogstijd één dag'
<...>
en dan zakt menigmaal Fortuna weer terug:
geen mens gaat ooit van haar voortdurend
vergezeld'
'praecox
pugna est'
'de strijd is nog niet rijp'
'certare
abnueo; metuo legionibus labem'
'ik sla een slag af, vrees ellende voor
het leger'
consequitur;
summo sonitu quatit ungula campum
...achterna, de hoeven trillen luid het
veld
iamque
fere puluis ad caeli uasta uidetur
toen steeg een stofwolk op tot in den
hemelhoge
amplius
exaugere obstipo lumine solis
<schaduw>
verder te verlengen door het schuine
zonlicht
hastati
spargunt hastas; fit ferreus imber
gespeerden drijven speren: ijzer regent
neer
densantur
campis horrentia tela uirorum
verdicht zich op het veld geklir van
mannenwapens
Door de fragmenten over deze slag te
bundelen heb ik de versnippering enigszins kunnen compenseren. Het effect is
misschien zelfs sterker: uit het nu ontstane geheel, zo verbrokkeld als het is,
kan voor de lezer wel degelijk een indruk ontstaan van de oorspronkelijke
beschrijving. De losse scherven kunnen juist in deze samenstelling de fantasie
van de lezer prikkelen. Hij of zij wordt als het ware uitgenodigd om zelf de
'open plekken' in de tekst aan te vullen en er een synthese van te maken, zoals
bij het zien van archeologische resten in een museum. De grootste moeilijkheid
van het tekstmateriaal biedt dus meteen ook onverwachte literaire kansen.
Ik geloof zelfs dat het effect voor
hedendaagse lezers sterker is dan bij een lang, volledig gedicht het geval zou
zijn. Juist bij fragmenten mag de lezer de eigen creativiteit inzetten. Tijdens
het werk aan Ennius heb ik wel eens gedacht dat de lezer misschien niet slecht
af zou zijn als ook Vergilius' Aeneïs zo fragmentarisch was
overgeleverd. Nu maakt die monumentale, lange tekst op veel lezers een logge
indruk en weten zij eigenlijk niet goed hoe ze die moeten benaderen. Waren er
alleen brokstukken Aeneïs over, dan zou de lectuur ervan misschien
uitdagender zijn.
[begin
p.58]
Onvolledigheid
Het zojuist gegeven tekstvoorbeeld uit
Ennius laat nog een paar typische problemen zien. Zo is het bij losse flarden
soms lastig vast te stellen of ze afkomstig zijn uit vertellerstekst of
gesproken tekst van een personage. In het geval van de serie frasen met woorden
van de Romeinse generaal Paullus is de toeschrijving aan die spreker aannemelijk
door een combinatie van de typische militaire speech-motieven en het gebruik van
de eerste persoon enkelvoud (abnueo, 'ik weiger, sla af'). Maar de eerste
regel zou in principe ook denkbaar zijn als algemeen commentaar van de dichter
zelf.
Vaak is het uit de contekst halen van de
Latijnse woorden zo drastisch gebeurd dat de syntactische structuur van de zin
niet meer intact is. In het vierde fragment in het voorbeeld (consequitur...,
'volgt') begint de regel met een werkwoordsvorm, waarvan het onderwerp in de
verloren voorgaande regel moet hebben gestaan. Het is geen serieuze vertaaloptie
om zo'n woord dan maar weg te laten. De nu gekozen vertaling maakt niet
expliciet wie of wat volgt. Wel stuurt de inleidende omschrijving
'cavalerie-manoeuvres' de interpretatie die kant op. De rest van de regel
suggereert immers dat hier een uitval van Romeinse cavalerie beschreven wordt.
Ook bij zo'n incomplete structuur kan het nadeel uiteindelijk werken als een
voordeel: juist in zijn onafheid is de regel sterk suggestief en roept hij het
beeld van ruiters des te indringender op.
Soms moet omwille van de leesbaarheid
toch worden ingegrepen. In het fragment amplius exaugere... ontbreken
zowel onderwerp als lijdend voorwerp. Ik meende dat minstens de toevoeging van
het lijdend voorwerp hier nodig was om het fragment ook direct te laten spreken.
De uitleg van het wetenschappelijke commentaar is in dit geval weergegeven met
de expliciete toevoeging '<schaduw>', waarbij de haakjes aangeven dat het
om een woord gaat dat niet correspondeert met het Latijnse origineel.
Bondige
verzen
Een laatste probleem dat fragmenten als
deze stellen is gelegen in hun dichtvorm. Willen de vertaalde regels als poëzie
kunnen werken, dan zijn ook hier heldere keuzes nodig. Ik heb elke complete
Latijnse dactylische hexameter willen weergeven met een jambisch-trocheïsch
vers van zes heffingen. Bij langere teksten biedt een metrische keuze de
vertaler altijd ook de nodige vrijheid (vergelijk mijn eerdere opstel in Filter
10 (2003) 47-53), maar in het geval van zeer korte fragmenten of losse regels
kun je vaak geen kant op: elk vers moet vol en mag ook niet langer zijn dan
gepland. Verrassend genoeg bleek hier juist het incomplete karakter van de
verzen ook nieuwe mogelijkheden te bieden. Zo laten de twee laatste regels uit
het Ennius-voorbeeld zien dat de vertaling opmerkelijk dicht bij het origineel
kan blijven, tot in de woordvolgorde toe.
Soms leken de vertaalproblemen haast
onoverkomelijk. Maar indachtig het idee dat alles uiteindelijk
vertaalbaar is, heb ik steeds een oplossing kunnen vinden (mijn vertalers-motto
is: 'wat niet kan, kan toch!'). Twee voorbeelden volgen hier ter afronding.
[begin
p. 59]
In een beroemd vers (1,60), waarin
Romulus smalend reageert op de moord op zijn medekoning Titus Tatius, maakt
Ennius overdreven gebruik van alliteratie: 'o Tite, tute, Tati, tibi tanta,
tyranne, tulisti!'. De namen en het woord 'tiran' zijn wel te handhaven,
maar hoe moet de rest (die zoveel betekent als 'voor jouzelf heb jij zoveel
dingen verdragen')? Na enig sleutelen kwam ik tot: 'ach Titus Tatius, tiran! dat
is je tol!' -- niet zo mooi als het Latijn, maar toch met flink wat t's.
Technisch op voorhand onmogelijk leek de
weergave van twaalf godennamen in 7,24:
Iuno
Vesta Minerua Ceres Diana Venus Mars
Mercurius
Iouis Neptunus Volcanus Apollo
Hier had ik letterlijk geen speelruimte: twee jambisch-trocheïsche zesvoeters
konden simpelweg geen plaats bieden aan de namen uit de beide dactylische
zesvoeters. Wat te doen? Namen schrappen? De hele volgorde omgooien?
Uiteindelijk kwam ik op het idee woorden te ontlenen aan Vondel. Uit de
oud-Hollandse schatkamer van de poëzie kon ik metrisch handige varianten van de
namen putten:
Juno, Vesta, Ceres, Diaan, Minerf en Venus,
Mars, Mercuur, Jupijn, Neptuun, Vulcaan,
Apol
Sublieme poëzie is het beslist niet, maar alle namen zitten erin! En als bonus
voor de lezer wordt met de Vondeliaanse namen een intertekstueel of
intercultureel effect bereikt. Dat had Ennius natuurlijk nooit zo bedoeld, maar
tegenover de vele verliezen bij het vertalen van fragmenten mag ook wel eens een
kleine winst worden geboekt.
NOOT
1. De Bibliotheca Latina
Archaica wordt uitgegeven bij uitgeverij Voltaire. Als eerste deel
verschijnt: 'Muzen, bezing mij, Rome's oudste heldendichten, Livius
Andronicus, Odyssee, Naevius, de Punische oorlog, ingeleid, bezorgd en
vertaald door Vincent Hunink, (Voltaire) 's-Hertogenbosch 2006. De volgende
delen bevatten Ennius' Annalen (2006) en Lucilius' Satiren (2007).
========================
Over de auteur
Vincent Hunink is universitair docent
Latijn en Oudchristelijk Latijn en Grieks aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Hij publiceert geregeld vertalingen van klassieke auteurs (www.vincenthunink.nl)
|