|
PETRONIUS
SATYRICA
vertaald en toegelicht door Vincent Hunink
(Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2006)

ISBN 90 253 4197 7; 216 p.;
EUR 17,95
Romeins Italië, in de tijd van keizer Nero. Er heerst welvaart
en vrede maar voor de kleine man kan het leven hard zijn. Gelukkig kom je met
bluf en brutaliteit een heel eind en zijn er genoeg rijken bij wie wat te halen
valt. Welkom in de wereld van Encolpius en Giton!
Deze
hoofdfiguren, een voormalige slaaf en zijn jonge seksvriendje, leiden een
ongebonden bestaan, maar zorgen hebben ze ook. Hun verhouding wordt voortdurend
bedreigd en Encolpius kampt met een beschamende impotentie. Hij raakt daar ten
slotte wel vanaf maar pas na allerlei verwikkelingen. Zo raken de vrienden
verzeild in een orgie en een uitzinnig decadent maal, het beroemde 'diner van
Trimalchio'.
Petronius'
roman Satyrica is uniek in de antieke literatuur vanwege zijn scherpe
realisme. Hoerenkast of marktplein, louche hotel of vrachtschip: binnen elk
decor geeft dit verhaal een overtuigend beeld van het bestaan van gewone
Romeinse mensen. Charmante bedriegers en patsers, plat pratende eters,
doortastende vrouwen en geile jongens, in dit boek komen ze waarachtig tot
leven.
Deze
fonkelnieuwe, sprankelende vertaling biedt alle bewaarde gedeelten van de
Satyrica voor het eerst onverkort in het Nederlands.
Het Satyricon is al
vele jaren leverbaar in een vertaling van A.D. Leeman, die stamt uit de jaren
'70. Hoewel deze vertaling grote kwaliteiten bezit, lijkt een nieuwe vertaling
na ruim dertig jaar gewenst. Na mijn vertaling van
Apuleius'
Metamorfosen, die andere Romeinse roman, heb ik het aangedurfd aan dit
project te beginnen. In de vertaling die ik voorbereid wordt de gehele Latijnse
tekst verwerkt (Leeman liet een lang gedicht uit de tekst weg). Verder beoogt de
vertaling het Latijn getrouwer weer te geven, zonder aan levendigheid in te
boeten. Ook wil de vertaling meer rekening houden met het moderne onderzoek naar
de tekst, onder meer naar obsceniteiten.
Als nevenproject bij deze
vertaling verscheen elders in 2007 een tweetalige bundel met een aantal
epigrammen op naam van Petronius.
NIEUWS:
dit boek als e-book

De vertaler (l) overhandigt het eerste
exemplaar aan prof.dr. Fik Meijer
Leiden, 15 september 2006
PROMOTEKST
van Boekhandel Roelants
(Nijmegen)
Petronius'
Satyrica behoeft geen nadere
aanbeveling. De vrolijkste roman uit de klassieke oudheid is zelf zijn beste
reclame: wie dit boek niet leest is gek. Maar een nieuwe Nederlandse vertaling
roept misschien wel vragen op. Sinds jaar en dag is er een Nederlandse versie
beschikbaar: de vertaling van A.D. Leeman. Waarom dan deze nieuwe uitgave?
Om te beginnen heeft de vertaler, Vincent
Hunink, alles vertaald. Leeman liet wel eens een 'saai' stuk weg, maar
Hunink laat de lezer juist de ruimte om zelf te oordelen. Verder is het moderne
Petronius-onderzoek in de nieuwe vertaling verwerkt. Dat blijkt bijvoorbeeld in
de weergave van obscene passages. En misschien nog belangrijker: toon en aanpak
zijn anders, wat misschien onvermijdelijk is na enkele decennia. Hunink vermijdt
Randstedelijk dialect, omslachtige wendingen of moraliserende toelichtingen, en
kiest voor een strakke stijl die de accenten van Petronius zoveel mogelijk
intact laat.
Elk boek verdient na een paar decennia een opknapbeurt. De nieuwe vertaling
schiet Petronius' Satyrica met kracht de 21e eeuw in.
Wie zich wil overtuigen met tekstfragmenten kan terecht op
http://petronius.vincenthunink.nl/.
Ook leuk om te vergelijken als u de oude vertaling toevallig in de kast heeft
staan (Leeman p.21 e.v. Hunink p. 25 e.v.) Uiteraard is de nieuwe
Petronius-vertaling op voorraad leverbaar bij Roelants. De prijs is
17.95
FRAGMENT
Terwijl
ik aandachtig stond te luisteren, had ik niet door dat Ascyltos er vandoor ging.
*
En
terwijl ik opgewonden door de hitte van dat debat verder liep, stroomde er een
grote groep studenten de zuilengang binnen. Ze waren kennelijk bij een of andere
spreker geweest die na Agamemnon's ingestudeerde pleidooi een geïmproviseerd
betoog had afgestoken. Terwijl de jongelui zijn spreuken belachelijk maakten en
zijn hele spreekstijl afkraakten, zag ik mijn kans schoon en glipte weg. In
looppas zette ik de achtervolging van Ascyltos in.
Maar
ik raakte de weg kwijt en ik wist niet waar onze herberg was. Welke kant ik ook
op ging, telkens kwam ik terug op de dezelfde plek. Op een gegeven moment stapte
ik doodvermoeid en zwaar bezweet naar een oud vrouwtje dat wat groente van het
land zat te verkopen. 'Ach, moedertje,' zei ik, 'weet ú misschien waar ik
logeer?'
Zij
had plezier om mijn domme geintje en antwoordde: 'Maar natuurlijk!' Daarop kwam
ze overeind en begon mij voor te gaan. Ik hield haar voor een zieneres en
*
Toen
we kort daarna op een afgelegen plek kwamen, trok de oude vrouw heel vriendelijk
een lappengordijn opzij en zei: 'Hier moet je logeren!'
Terwijl
ik nog opmerkte dat ik het huis niet herkende, zag ik daar wat figuren die
steels rondliepen temidden van prijskaartjes en naakte meiden. Laat, ja, te laat
besefte ik dat ik was meegevoerd naar een hoerenkast. Ik vervloekte het oude
wijf dat mij zo in de val had laten lopen, bedekte mijn hoofd en sloeg op de
vlucht. Midden door het bordeel liep ik naar de andere kant, en kijk eens aan,
pal bij de ingang loopt mij daar Ascyltos tegen het lijf. Hij was al even
uitgeput en bijna dood als ik: je zou haast denken dat hij was meegevoerd door
hetzelfde oude wijf. Lachend begroette ik hem en vroeg hem wat hij daar nu deed
op zo'n smoezelige plek.
Hij
wiste zich met beide handen het zweet af en zei: 'Als je eens wist wat mij is
overkomen.'
'Wat
dan?'
'Ik
was door heel de stad aan het zwerven,' zei hij, bijkans bezwijkend, 'maar kon
niet meer vinden waar ik de herberg achter mij had gelaten. Toen stapte een
nette mijnheer op me af met de allervriendelijkste belofte dat hij mijn gids zou
zijn en de weg wel zou wijzen. Vervolgens baande hij zich een weg via de
donkerste steegjes en bracht me hier op deze plek, waar hij zijn geldbuidel trok
en mij ontuchtige voorstellen deed. Een hoertje had al een paar centen van hem
bedongen voor haar werkruimte, de man had me al stevig vast, en als ik niet de
sterkere was, zou ik lelijk de klos zijn geweest!'
(...)
Als
door een nevel zag ik daar Giton op de stoep staan en ik vloog op hem af.
*
Toen
ik vroeg of broertje ons misschien iets te eten had gemaakt, ging de jongen op
bed zitten en veegde met zijn duimen een stroom van tranen weg. Ik raakte van
slag door broertjes gedrag en vroeg hem wat er gebeurd was. Een tijdlang hield
hij zich in en wilde niets kwijt, maar toen ik bij alle smeekbeden ook boos
werd, zei hij: 'Die broer of maat van jou kwam daarnet onze kamer binnenrennen
en wilde de aanval openen op mijn blanke onschuld. En toen ik het uitschreeuwde
trok hij zijn zwaard en zei: "Ben jij Lucretia? Dan heb je nu Tarquinius
gevonden!"'
Na
dat verhaal schudde ik mijn vuisten voor Ascyltos' ogen. 'Wat moet dat?' riep
ik. 'Hoerenjong met je benen wijd en die stank tot in je mond!'
Ascyltos
deed of hij huiverde. Maar vervolgens zwaaide hij heftiger met zijn vuisten en
zette een veel hardere toon op. 'Hou je bek!' schreeuwde hij. 'Gore gladiator,
uitschot van de arena! Hou je bek, killer in de nacht. Zelfs niet toen je nog
een kerel was heb jij gestreden met een echte vrouw. Nee, in het park moest ík
je broertje zijn, net zoals nu die jongen hier in de herberg!'
'Jij
bent er tussenuit geknepen bij dat gesprek met de professor!'
'Wat
moest ik dan doen, grote stomkop? Ik ging kapot van de honger! Of had ik soms al
die spreuken moeten aanhoren, dat gerinkel en getinkel, die uitgewerkte
hersenschimmen? Jij bent verdomme veel erger dan ik: om een etentje te krijgen
heb je die dichter complimenten gegeven!'
*
Zo
barstten we na die vreselijke ruzie weer in lachen uit.
==========================
Een ander vertaald fragment (c. 32-34)
is gepubliceerd in
Kunsttijdschrift Vlaanderen, 54, 2005, nr. 304, 44-45, in een speciaal
katern dat een eerbetoon brengt aan
Patrick Lateur. Voor volledige tekst zie onder bij links.
==========================
Uit:
Nederlands Dagblad,
6 oktober 2006
Bij dezelfde uitgever en van dezelfde vertaler verscheen eerder
dit jaar een bloemlezing uit de Legenda aurea, een middeleeuwse
verzameling heiligenlevens van Jacobus de Voragine. Dat is wel iets heel anders dan de
schelmenroman Satyrica, waarschijnlijk geschreven door Petronius, arbiter elegantiae aan het hof van keizer Nero. Het
verhaal over Encolpius en zijn vriendje Giton is uitzonderlijk
schaamteloos; hoewel de middeleeuwse kopiisten de meest onkuise gedeelten waarschijnlijk al hebben geschrapt. Petronius vertelt het
verhaal met een zeker raffinement. Een figuur als de dichter Eumolpus (verheven
opvattingen, vuige praktijk) vergeet je niet. Maar ook na twee millennia heeft het
lichtzinnige plezier van Petronius om al deze volkse figuren, die hun hedonistische wansmaak zonder
terughouding etaleren, nog weinig van zijn weerzinwekkendheid verloren. De vertaler heeft merkbaar plezier gehad in zijn werk. De
vertaling is bedoeld als opvolger van de editie van A.D. Leeman uit 1966.
---------------
Uit: HP/De Tijd
23 september 2006
Wij kennen hem beter als 'Satyricon', naar de ophefmakende film van Fellini. In een nieuwe Nederlandse vertaling die zonet verscheen bij Athenaeum Polak & Van Gennep, is de roman van de Romeinse auteur Petronius vertaald als 'Satyrica'.
(...) Middeleeuwse kopiisten zetten met name graag de schaar in de erotische passages. Enkel het diner van Trimalchio is zo goed als compleet bewaard. Toch is 'Satyrica' nog goed leesbaar, ook omdat de vertaler achteraan de verhaallijn van de roman samenvat.
(MH)
---------------
Uit: De Groene Amsterdammer
10 november 2006
Vincent Hunink heeft in zijn
nieuwe vertaling zijn best gedaan de stijlkenmerken van het origineel getrouw
weer te geven.
(Pi e t G e r b r a n d y)
(NB de recensie van Piet
Gerbrandy, getiteld 'In gesprek met zijn roede' is voor het overige een lezenswaardig essay over de inhoud van de Satyrica.
Het essay is online
voor Groene-abonnees beschikbaar en voor anderen nabestelbaar).
---------------
Uit: Vrij Nederland
9 december 2006, p.76-77
Met de groot gezette
ondertitel 'Ondermaatse vertaling van geniaal boek' geeft Allard S c
h r ö d e r
een lang betoog over het boek, dat in de laatste kolom eindigt met de volgende
opmerkingen over de vertaling.
'(...) Helaas is de 'Satyrica'
met samengeknepen billen vertaald, waardoor van de geest van het boek bijna
overal slechts een walmend pitje overblijft. Het Latijn heeft voor de vertaler,
Vincent Hunink, weinig geheimen, het Nederlands wel. Dat komt omdat hij 'op veel
punten heeft gemeend dichter bij het Latijn te kunnen blijven, vooral in de
woordvolgorde (...)'. Een dwaling. Alsof de woordvolgorde van het Latijn ook
maar enige betekenis in het Nederlands heeft. Het resultaat van deze opvatting
vindt men in zinnen als deze: 'Wat mijn eigen deelname betreft, ik wijs geen
enkel risico van de hand zolang het enige hoop op redding biedt!'Of: 'Een
kunstmatig kleurtje bezoedelt het lichaam doch brengt geen verandering teweeg'.
Het gymnasiaal Nederlands, dat Hunink naar eigen zeggen heeft willen vermijden,
is volop aanwezig. 'Furia' heet nog gewoon ouderwets 'razernij' - er is zelfs
sprake van een 'razende ziel' - 'flere' is 'wenen' in plaats van 'huilen',
'tacere' 'zwijgen' in plaats van 'zijn mond houden' en 'secreta' zijn
'geheimenissen', waar gewoon 'geheimen' had volstaan. Bij herhaling gebruikt
Hunink oubollige jongensboekentaal als 'ons buikje rond eten' of 'er gloeiend
bij zijn'. Hoewel hem af en toe wel eens wat lukt, is deze Nederlandse Petronius
in het algemeen onder de maat. Dertig jaar zou de vertaling kunnen meegaan,
aldus de trotse vertaler. Ze is eigenlijk nu al aan vervanging toe. Gelukkig kan
het werk wel tegen een stootje. (...)'
Reactie
van Vincent Hunink (10-12-2006): Kritiek krijgen vindt niemand leuk, maar
hoort er natuurlijk bij als je iets publiceert. Maar het wordt onplezierig als
aantijgingen unfair zijn of zelfs moedwillig een vertekend beeld geven.
De
passage over de vertaling is op de eerste plaats een treurig voorbeeld van de
manier waarop in Nederland ‘vertaalkritiek’ nog steeds kan worden bedreven:
men zet aan het slot een paar losse frasen of zelfs losse woorden naast elkaar
die niet bevallen en men concludeert dan meteen dat het geheel ‘onder de maat
is’. Bij gebrek aan contekst heeft de lezer verder het nakijken.
Op
de tweede plaats is hier veel af te dingen op de details. Gelukkig kan ik op
deze plek zelf nog iets uitleggen, al zal het weinig meer helpen. Maar ik wil de
punten van ‘kritiek’ niet onweersproken laten.
1.
de kwestie van de woordvolgorde
Vroeger meende men dat de woordvolgorde in het Latijn er niet toe doet en
volkomen vrij is. Tegenwoordig is het inzicht, eenvoudig gezegd, dat de
ordening van informatie in de Latijnse zin wel degelijk aan regels is
onderworpen en daarbij ook nog bewuste keuzes en accentuering kan weergeven.
Het is dus simpelweg zaak daar rekening mee te houden. Dit inzicht zou ook S.
moeten hebben bereikt. Discussie hierover lijkt me verder zinloos.
2.
de 'gymnasiale' zinnen
S. hoeft mijn zinnen natuurlijk niet mooi te vinden, maar het is domweg
onjuist om de indruk te wekken dat de voorbeelden mijn neutrale vertaalstijl
weergeven.
De
eerste zin (‘Wat mij betreft...’) komt van p.130 (c.102). Hier is Eumolpus
in ronkende taal de Grote Leermeester aan het spelen tegenover zijn benauwde
vrienden. De plechtige taal werkt in zijn mond vooral komisch. Ik heb me in de
vertaling eigenlijk nog ingehouden: het recente commentaar van Habermehl
(2006) wijst terecht op het zeer zeldzame gebruik van ‘comitatus’
(‘medewerking’: bij mij ‘deelname’) en op de opzettelijke
Ciceroniaanse slot-wending ‘spem salutis ostendit’.
De
tweede zin komt van de volgende pagina, p.131 (c.102). Nu is de jonge Giton
aan het woord, die in zwaar retorisch aangezette, pathetische formuleringen
zijn spreek- en acteertalent toont. Ook hier laat alleen al de lange noot van
Habermehl zien hoeveel verwijzingen er achter de woorden liggen. Het móet
hier aanstellerig en pedant klinken: dat past bij het sprekende personage!
3.
losse woorden Zijn de zinnen al uit hun verband gerukt, voor de losse woorden geldt dat nog
meer. ‘Furia’ komt verschillende keren in dit soort conteksten van
retorisch aanstellerig vertoon voor, zoals in de openingszin van de Satyrica
en in het lange, gezwollen gedicht over de Burgeroorlog. In c.118 (p.156) diskwalificeert de oude Eumolpus andere dichters die
verkeerde poëzie schrijven: dat zijn 'profetieën van een razende ziel’.
Daarna barst hij zelf los in een lang, gezwollen gedicht. En ja, natuurlijk schrijf ook ik ‘huilen’ en ‘je mond houden’, óók
in deze vertaling, en zijn ‘wenen’ en ‘zwijgen’ gereserveerd voor
pseudo-verheven taalgebruik, zoals de figuren dat bij bepaalde gelegenheden
gebruiken om indruk te maken. Mijn vertaling ‘geheimenissen’ (p.35, c.17, woorden van de imposante
Quartilla over een religieus ritueel) is een kleine toespeling op Vondels
‘Altaergeheimenissen’ en de mooie beschouwing daarover van Frans
Kellendonk: S. zelf zegt terecht dat de Satyrica vol verwijzingen en literaire
toespelingen staan. Dat rechtvaardigt dus wel eens een enkel beladen woord,
vind ik. Jammer als het de criticus of lezer ontgaat.
4.
nog twee wendingen
Tja, ‘ons buikje rond eten’ klinkt lullig, maar dat is,
opnieuw, met opzet. Het Latijn heeft ‘nos impleuimus cena’ (p.34, c.16)
letterlijk ‘we vulden ons met het diner’, dus er staat echt iets meer dan
‘we aten’.
En dat ‘gloeiend erbij zijn’ (p.39, c.22) is inderdaad iets vetter
vertaald dan het Latijn, maar geeft een bedoeld klein extra effect: in de
alinea ervoor is er sprake van olielampen zonder brandstof, en in de alinea
erna van nieuwe olie voor diezelfde lampen. Een kleine talige knipoog in het
Nederlands dus, ter compensatie van effecten elders die ik niet kon overbrengen.
5
'dertig jaar'
Tot slot de ‘trotse vertaler’ volgens wie de vertaling ‘dertig jaar zou
kunnen meegaan’. Op p.214
schrijf ik in het nawoord, enkele alinea’s na een passend eerbetoon aan een
ándere, voorgaande Petronius-vertaling van Leeman dat het ‘mooi zou zijn als deze
vertaling ook weer een jaar of dertig meekan’. Wie goed leest, proeft hier
toch een andere nuance dan S. suggereert.
S. heeft zijn harde oordeel
gebaseerd op een paar losse frasen, zonder enige nadere onderbouwing. Bij geen
enkel voorbeeld is rekening gehouden met de retorische en dramatische contekst.
Er zijn gewoon willekeurig wat frasen uit de tekst geplukt en geïsoleerd. In
dit geval, uit de pen van een ervaren classicus, criticus en schrijver, geeft
dat te denken. Naar mijn idee is hier sprake van moedwillig verkeerd lezen.
---------------
Uit: De Standaard,
5 januari 2007, p. L15
'(...) Wie in het Nederlands
een authentiekere Petronius wilde lezen, was tot nu toe aangewezen op de
vertaling van A.D. Leeman (1972). Zijn levendige en vrijmoedige, maar ongelijke
en niet geheel volledige weergave klinkt nu wat gedateerd. De nieuwe versie van
de productieve latinist Vincent Hunink bekt beter, al treft ook hij de beschaafde
toon van de verteller en de platte taal van de bijfiguren niet echt. Alleen een
stilist als Gerard Reve zou de suprieure ironie kunnen evenaren waarmee
Petronius de schunnigste situaties beschrijft.
Dat bezwaar mag niemand weerhouden deze versie te lezen (...)'
(P a u
l C l a e s)
---------------
Uit: De Volkskrant,
19 januari 2007, p.28
'De goede lezer,
doceerde Nabokov al, is de herlezer. Die kijkt scherper. Deze week: choreograaf Rudi
van Dantzig (1933), auteur van de roman Voor een verloren soldaat (1986),
herleest Petronius’ Satyrica.'
Hoe lonend is het je als ‘gewoon’,
niet klassiek geschoold lezer te verliezen in een vertelling uit de Romeinse
oudheid: wat kun je daar vandaag de dag nog van meenemen? ‘Lonend’,
‘verliezen’, ‘meenemen’ : Petronius, de schrijver van Satyrica, zou
ondergetekende daarvoor op sarcastische wijze een draai om de oren hebben
toegediend.
(...)
Petronius' zienswijze en commentaar op gebeurtenissen uit de Romeinse
keizertijd doen vaak denken aan onze huidige maatschappij, vooral ook
dankzij Vincent Hunink, die de antieke schelmenroman op virtuoze manier in
een uitermate hedendaags taalgebruik heeft overgezet.
(...)
In Satyrica volgen we de belevenissen van het vriendenpaar Encolpius en
Giton, drinkend, vechtend, vretend en veelvuldig vrijend, zowel met mannen
als met vrouwen, en dat alles uiterst veelzeggend verwoord.
‘Grote goden, wat een nacht! /
Heerlijk zo'n bed! We kleefden heet / tegen elkaar en lieten de zielen /
overspringen van lip op lip. / Vaarwel dus, sterfelijke zorgen! / Ik had er
wel in willen blijven’: je vraagt je af of dat een vondst van de vertaler
is, of dat Petronius zelf een dergelijke dubbelzinnigheid heeft
neergeschreven.
(...)
De vertaler las de Latijnse tekst als
tweedejaarsstudent, begin jaren tachtig, ‘met rode oortjes en met
stijgende verbazing en bewondering,’ en sindsdien heeft Petronius hem
nooit meer losgelaten. Daarvan levert Huninks Satyrica het overtuigend
bewijs: voor hem werd herlezen herscheppen.
(R u d i v a n D a n t z i g)
---------------
Uit:
Filter 14, 2007, 1
maart 2007
"In tijden van
hernieuwde aandacht voor de Romeinse geschiedenis (denk aan het succes van Tom
Hollands Rubicon, Robert Harris’
roman Imperium, de televisieserie Rome
etc.) is een nieuwe vertaling van (alle restanten van) het bijna verloren
gegane meesterwerk Satyrica
van Petronius een gebeurtenis van de eerste orde.
Petronius is naar alle waarschijnlijkheid de etiquettemeester en maître des plaisirs (elegantiae
arbiter) van keizer Nero die bepaalde wat men aan het hof trendy moest
vinden. Hij viel in ongenade, hield de eer aan zichzelf
en zou temidden van het vertellen van grappen en wufte liedjes zijn eigen
dood regisseren. Vincent Hunink
verving de vertaling van A.D. Leeman uit 1966, en dat was nodig, hoe
verdienstelijk die ook was. Binnen dertig jaar zal het Huninks lot zijn.
(...)
Hoe
vertaal je een roman in flarden, vol parodieën en pastiches? Hoe laat je de man
uit de straat spreken? Het maakt van elke vertaling van de Satyrica een
huzarenstuk.
Ik
geef één voorbeeld. Van een gedicht. Twee vertalers: Leeman en Hunink.
Hemelse
goden, welk een nacht!
Hoe was het bed ons zwoel en
zacht!
Drinkend elkanders ademjacht
wensten we ‘s levens last te
derven
en deze zoete dood te sterven.
Dat
wordt bij Hunink tekstgetrouwer, preciezer en opwindender:
Grote
goden, wat een nacht!
Zo’n heerlijk bed! We
kleefden heet
tegen elkaar en lieten de
zielen
overspringen van lip op lip.
Vaarwel dus, sterfelijke
zorgen!
Ik had er wel in willen
blijven.
Ik
mis alleen “errantes” bij die zielen: ze zijn zwervend, delirerend. De kus
als een overdracht van zielen is een topos sinds een Grieks epigram dat aan
Plato wordt toegeschreven. Hunink
noemt de vertalingen van Leeman gekenmerkt “door een badinerende toon, die
voortkomt uit een te geringe dunk van de originelen”. Badinerend zou ik
bovenstaande vertaling van Leeman niet noemen, maar de geringe dunk van het
origineel heeft inderdaad de frisheid en onbevangenheid van het versje
opgeofferd aan een onnodig plechtig gerijm.
Hunink
heeft spelfouten, dialect en streekgebonden woordgebruik in de passages waar
volkse types plat Latijn spreken bewust vermeden: “Het gevaar van een ál te
spreektaal-achtige weergave is dat de vertaling snel veroudert. Het zou mooi
zijn als deze vertaling ook weer een jaar of dertig meekan. Ik ben daarom in
deze passages minder ver gegaan dan ik kon en soms ook graag wilde.” Dat is
soms jammer.
Zo
is Echion - een wandelend vat vol gemeenplaatsen en bekrompenheid - bij Leeman
een voddenkoopman (“lompenkoopman” in de vertaling van Paul Van de Woestijne
uit 1944) maar bij Hunink een gewone klerenhandelaar. De waterpot van Leeman is
een vieze kamerpot geworden bij Hunink, maar Van de Woestijne heeft de meest
treffende vertaling: die piespot van een wijf (matella).
Met wat meer durf had er hier en daar iets meer ingezeten. Te meer omdat heel wat woorden onvaste betekenissen hebben en wat
marge laten: zo is een stel dwergen
bij Leeman een paar sjonnies
bij Hunink (cadeeën bij Van de Woestijne), maar je kan evengoed aan kleerkasten
denken of body guards.
Maar
laat mij wel wezen: in zijn geheel is deze vertaling te prijzen. Ze geeft ons de
ravissante flarden terug van een boek dat onze tijd een onbedoelde spiegel
aanreikt.
Als
er een moraal is in deze roman, dan deze: toon de wereld zoal hij is, bevolk hem
met parvenus, blaaskaken en ijdeltuiten. Laat seks zien als het krachtigste
incentive. En doe het allemaal dansen. De stijl is de aanklacht."
L
u c D e v o l d e r e
tekst
overgenomen met welwillende toestemming van de auteur. Luc Devoldere is
hoofdredacteur van het tijdschrift Ons
Erfdeel.
-----------------
LINKS
latest changes here:
19-12-2011 14:58
|