Een ‘tolk Arabisch’ bestaat niet, een vertaler Arabisch wel

In deze bijdrage zal ik kort een aantal facetten van de taalsituatie van Arabieren uiteenzetten, met de consequenties hiervan voor het tolken en vertalen in de rechtskundige praktijk in Nederland. Misschien ten overvloede wil ik allereerst het onderscheid tussen ‘tolken’ en ‘vertalen’ benadrukken: tolken geschiedt mondeling tijdens een gesprek, vertalen geschiedt schriftelijk, veelal zonder dat betrokkenen daarbij aanwezig zijn.

‘Hoog Arabisch’, Laag Arabisch’ en Berbers

De taalsituatie in de Arabische wereld wordt gekenmerkt door het verschijnsel diglossie. Dit betekent het naast elkaar bestaan van twee taalvarianten, een zgn. hoge variant voor formele situaties, en een lage variant voor informele situaties. Wat betekent dit in de praktijk? Er bestaan naast elkaar een officiële taal en een spreektaal voor de dagelijkse omgang. In de Arabische wereld zijn dit respectievelijk het Klassiek Arabisch (vanaf hier Hoog Arabisch) en de verschillende dialecten (het Laag Arabisch in variëteiten). Dit is vergelijkbaar met de situatie in Zuid-Europa en de middeleeuwen. Het Latijn werd als officiële taal gebruikt naast verschillende (Romaanse) omgangstalen. De spreektalen verschillen onderling meer of minder, het Hoog Arabisch is in het gehele Midden-Oosten min of meer gelijk. Een consequentie hiervan is, dat elke Arabier een dialect (een variëteit van het Laag Arabisch) als moedertaal leert, en dat men het Hoog Arabisch op school leert als een leervak, als een vreemde taal. De beheersing van het Hoog Arabisch is dus afhankelijk van het opleidingsniveau. In sommige Noord Afrikaanse landen speelt ook de Franse taal nog een belangrijke rol, en ook dat gaat vaak ten koste van de beheersing van het Hoog Arabisch.

De dialecten worden onderscheiden in vier hoofdgroepen. Binnen die groepen zijn de verschillen vrij klein (als tussen enkele ‘platte’ Nederlandse dialecten), maar tussen de afzonderlijke groepen zijn de verschillen groter en vergelijkbaar met de verschillen tussen de Scandinavische talen.

Extra gecompliceerd is de situatie in Marokko en in delen van Algerije en Tunesië. Naast de twee varianten Hoog en Laag Arabisch bestaat in deze landen het Berbers als moedertaal van veel inwoners. Het Berbers is slechts ver verwant met de Arabische talen. Berbers leren dus vaak één of twee vreemde talen naast hun moedertaal: het Laag Arabisch en evt. het Hoog Arabisch. Maar het komt in Nederland ook regelmatig voor dat een Marokkaan alleen het Berbers beheerst. Dit geldt voor een klein deel van de mannen en een groot deel van de vrouwen. Het Berbers in Marokko valt uiteen in drie groepen. De verschillen zijn zo groot dat sprekers van verschillende groepen moeilijk met elkaar kunnen spreken in het Berbers. De meeste Marokkanen in Nederland (± 70%) spreken het zgn. Rif-Berbers.

Tolken en vertalers voor het Arabisch

Wat betekent dit alles voor de situatie in Nederland? Ik wil stellen dat een ‘tolk Arabisch’ meestal niet bruikbaar is. Het tolken ten behoeve van een cliënt (verdachte, getuige) dient bij voorkeur plaats te vinden in diens moedertaal, het eigen dialect (Marokkaans Arabisch, Tunesisch Arabisch etc.). Het tolken in Hoog Arabisch voor ‘gewone mensen’ is niet praktisch, want zij beheersen het Hoog Arabisch meestal slecht of helemaal niet. Tot mijn spijt heb ik moeten constateren dat het in de Nederlandse praktijk, met name bij de rechtbanken, op grote schaal voorkomt dat er ‘tolken Arabisch’ worden opgeroepen. Wat zie je dan gebeuren? Een verdachte uit Marokko wordt bijvoorbeeld geconfronteerd met een ‘tolk Arabisch’ die uit Egypte afkomstig is. De kans is zeer groot dat onze Marokkaanse verdachte als moedertaal het Berbers spreekt (bij ± 70% van de in Nederland verblijvende Marokkanen is dit het geval), dat hij slechts een beetje Marokkaans Arabisch dialect spreekt en verstaat, en dat hij nauwelijks Hoog Arabisch spreekt of verstaat (hij is immers als ongeschoolde arbeider naar Nederland gekomen). Onze Egyptische ‘tolk Arabisch’ spreekt of verstaat (vrijwel zeker) geen Berbers, en (ook vrijwel zeker) slechts een beetje Marokkaans Arabisch dialect. Communicatie tussen deze twee personen is dan haast onmogelijk.

Maar hoe wordt zoiets duidelijk als de tolk dit niet wil toegeven, en de verdachte dit niet opmerkt of niet kan melden. Tijdens eigen observatie heb ik vastgesteld dat zelfs tussen een Tunesische tolk en een Marokkaanse verdachte misverstanden rezen die tijdens de zitting niet werden opgehelderd. Het Tunesisch en het Marokkaans Arabisch dialect behoren nog wel tot dezelfde groep der Noord-Afrikaanse dialecten. U zult begrijpen dat grotere verschillen tussen dialecten de conversatie nog moeilijker maken.

Wat kunt U bij Uw rechtbank hieraan doen?

De tolkenlijst die bij Uw rechtbank wordt gehanteerd zou niet ‘tolken Arabisch’ dienen te vermelden, maar tolken Marokkaans, Egyptisch, Iraaks, etc. Dit onderscheid blijkt niet alleen ongebruikelijk, maar soms ook onmogelijk. Een collega wilde in het arrondissement Amsterdam op de tolkenlijst vermeld worden als ‘tolk Marokkaans’ maar dit werd door de griffie geweigerd. Er zijn tolken die beweren dat zij alle Arabische dialecten beheersen. Misschien geldt dit voor het verstaan, alhoewel zelfs dat dubieus is. Het lijkt welhaast onmogelijk dat zo’n tolk elke Arabier in diens moedertaal (dialect) kan toespreken. Nog een korte opmerking over het Egyptisch dialect. Door de sterke culturele positie van Egypte (films, tv-series, zangteksten) wordt het Egyptisch door veel niet-Egyptenaren verstaan. Dit wil echter niet zeggen dat iedereen ook echt kan communiceren in dit dialect.

In het voorgaande heb ik vooral gesproken over (gespreks)tolken in de verschillende Arabische talen. Thans wil ik even stilstaan bij de (schriftelijke) vertalers. Terwijl (gespreks)tolken beperkt inzetbaar zijn, maakt de uniformiteit van het Hoog Arabisch het juist mogelijk één vertaler te gebruiken voor vertalingen uit alle Arabischtalige landen.

Resumerend

Bij ‘Arabische verdachten’ is het van groot belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen (gespreks)tolken en (schriftelijke) vertalers. Immers, tolken (mondeling) vindt plaats in één van de dialecten, hetgeen vereist dat de juiste tolk wordt opgeroepen. Vertalen (schriftelijk) vindt plaats in het (uniforme) Hoog Arabisch, zodat hiervoor in principe elke gekwalificeerde vertaler Arabisch kan worden ingeschakeld.

Jan Hoogland

uit: Trema, tijdschrift voor de rechterlijke macht, 1994 no. 9