Voorlichting in het Marokkaans Arabisch
Als we schrijven over Marokkanen en hun talen in Nederland moeten we eerst kijken naar de taalsituatie in Marokko. Het land is onderdeel van de Arabische wereld. In alle landen in dat gebied bestaan twee taalvarianten naast elkaar, een hoge variant als officiële taal, en een lage variant als omgangstaal. Dit zijn voor de hoge variant het Standaard Arabisch (foesha) en voor de lage variant de verschillende dialecten, waaronder het Marokkaans dialect (dariezja).
De afzonderlijke dialecten verschillen meer of minder, afhankelijk van de geografische afstand. Marokkaans en Algerijns dialect lijken sterk op elkaar, maar het verschil met Iraaks dialect is groot. Het Standaard Arabisch is in het gehele Midden Oosten min of meer gelijk. Elke Arabier leert dus een dialect als moedertaal, en het Standaard Arabisch als een vreemde taal op school. Hoe goed iemand het Standaard Arabisch beheerst hangt af van zijn opleiding. Er zijn in Marokko - evenals in Algerije en Tunesië ook mensen die een andere moedertaal hebben: de Berbers. Zij spreken het Berbers (tamazight). In Marokko is dat bij ongeveer 40% van de bevolking (dit is een schatting). Deze taal lijkt slechts in de verte op de Arabische talen. Berbers leren het Marokkaans en eventueel het Standaard Arabisch als vreemde talen. Taalkundigen noemen de Berbers berberofonen, in tegenstelling tot de arabofonen die als moedertaal het (Marokkaans) Arabisch hebben. Ook het Frans speelt nog een belangrijke rol, meestal ten koste van het Standaard Arabisch. Ofwel omdat men kiest voor volledig Franstalig onderwijs, ofwel omdat alle tijd die aan het Frans wordt besteed, niet aan het Arabisch (ook een vreemde taal) wordt besteed.
Nu de situatie in Nederland
Als we het over een Marokkaan hebben, wie bedoelen we dan? Dit artikel gaat niet over hen die op jongere leeftijd hier kwamen of die hier geboren zijn. Zij beheersen meestal het Nederlands voldoende. De taalproblematiek speelt vooral bij de eerste generatie, mannen en vrouwen die als volwassenen naar Nederland kwamen (of die als huwelijkspartner nog steeds komen). Er zijn ongeveer 200.000 Marokkanen in Nederland. Die groep vormt geen afspiegeling van de totale Marokkaanse bevolking. Ongeveer 70% van de Marokkanen in Nederland komt uit het Rifgebied. Zij zijn Rif-Berbers. De overige 30% is dus arabofoon. Maar veel berberofonen, zeker de mannen, beheersen ook het Marokkaans. Ik schat ongeveer 70% van de mannen en 40% van de vrouwen. De eerste generatie kwam als ongeschoolde gastarbeiders naar Nederland. Een enkeling had lager onderwijs gevolgd, velen slechts enkele jaren of alleen koran-onderwijs. Een flinke groep geen enkel onderwijs. Hun kennis van het Standaard Arabisch is dus ook zeer beperkt. Ze kunnen er weinig mee: een beetje lezen en een heel klein beetje schrijven, soms alleen de eigen naam. Maar het is wel de taal van boeken, kranten, radio en TV. Dat is moeilijk functioneren zo. Daarom noemt men deze mensen ook wel functioneel analfabeten.
Marokkaans (spreektaal) horen en spreken ze dagelijks. Waarom dan niet schrijven in dat Marokkaans? Iemand die Standaard Arabisch kent, kent vrijwel zeker ook Marokkaans. Maar dat geldt niet automatisch andersom. Er zijn alleen geen spellingsregels voor geschreven Marokkaans. De noodzaak van het schrijven van klinkers is hierbij overigens niet zo groot als in Standaard Arabisch. Onderzoek (van mijzelf in 1983) heeft aangetoond dat men het geschreven Marokkaans niet slechter begrijpt. Er was helaas geen statistisch significant bewijs dat men het beter begreep. Ik ben daar wel van overtuigd. Of schrijven in het Nederlands? Dat kan natuurlijk ook, maar grote groepen van de eerste generatie beheersen het Nederlands nog steeds onvoldoende. Je kunt hopen dat de kinderen het vertalen voor hun ouders, maar dan heb je geen controle dat de informatie de ouders goed bereikt. De meeste kinderen beheersen het Nederlands uitstekend, maar veel minder het Marokkaans of Berbers.
Jan Hoogland
Uit: Bulletin BVGB (Bureau Voorlichting Gezondheidszorg Buitenlanders, inmiddels opgegaan in het NIGZ = Nederlands Instituut voor Gezondheidsvoorlichting en Ziektepreventie), jrg. 8 nr. 2, december 1991